BEDRIJF STARTEN HAVO 1e druk

les Maken door leerling les les les
1 1.1 t/m 1.6 11 2.25 t/m 2.26 21 3.30 t/m 3.33 31 4.7 t/m 4.8
2 1.7 t/m 1.12 12 D-toets 2 22 3.34 t/m 3.36 32 4.9
3 1.13 t/m 1.18 13 D-toets 2 23 D-toets 3 33 D-toets 4
4 1.19 t/m 1.23 14 3.1 t/m 3.5 24 D-toets 3 34 Case 4.1 of 4.2
5 1.24 D-toets 1 15 3.6 t/m 3.7 25 Case 3.1 35 Case 4.1 of 4.2
6 Case 1.1, 1.2 16 3.8 t/m 3.10 26 Case 3.2 36 Case 4.1 of 4.2
7 Case 1.2 17 3.11 t/m 3.17 27 4.1 t/m 4.2 37 Case 4.1 of 4.2
8 2.1 t/m 2.12 18 3.18 t/m 3.20 28 4.3 t/m 4.4 38 5.1 t/m 5.2
9 2.13 t/m 2.20 19 3.21 t/m 3.26 29 4.5 39 D-toets 5 6.1 t/m 6.5
10 2.21 t/m 2.24 20 3.27 t/m 3.29 30 4.6

 

Studielast Bedrijf Starten havo

Doorwerken van de lesbrief 39 × 50/60    32 uur en 30 minuten
Studeren¹    12 uur
Proefwerk maken    2 uur en 30 minuten
Bespreken proefwerken    1 uur en 40 minuten
Extra vaardigheidsopdrachten    p.m.
Totaal   49 uur

 

Eindtermen Bedrijf Starten

Het CE Havo 2020 is gebaseerd op de Syllabus CE 2020 Versie 4, juni 2018

Let op: het CE 2021 is gebaseerd op de syllabus CE 2021 Versie 2, juni 2019

De verschillen tussen de syllabus 2020 en 2021 zijn in de handleiding grijs gearceerd en op de website rood gearceerd. In de syllabus 2021 zijn enkele onderdelen dus geschrapt in vergelijking met de syllabus 2020, maar er zijn ook nieuwe onderdelen toegevoegd. Onderdelen die zijn doorgestreept hoeven leerlingen op het CE 2021 niet meer te kennen. De nieuwe toegevoegde onderdelen moeten ze in 2021 wel kennen.

 In de 2e druk van de lesbrieven zijn de nieuwe en de geschrapte onderdelen voor het CE 2021 verwerkt.

 

Subdomein B2: De oprichting van een eenmanszaak

12. De kandidaat kan het proces voor en rond de oprichting van een eenmanszaak beschrijven en in de rol van ondernemer toepassen.

Voor het centraal examen betekent dit het uitleggen van het proces rond de oprichting van een eenmanszaak en het beoordelen van de rol (en de keuzes) van de ondernemer hierin.

In dat verband kan de kandidaat

12.1 de voor- en nadelen van een arbeidsrelatie versus zelfstandig ondernemerschap beoordelen.

12.2 de rol van de ondernemer bij het (creatieve) proces voor de oprichting van een eenmanszaak uitleggen.

12.3 in de rol van ondernemer de verschillende onderdelen van een ondernemingsplan opstellen.

12.3.3 een financieel plan opstellen

Belangrijkste begrippen:

financieel plan

  • investeringsbegroting
  • financieringsbegroting
  • exploitatiebegroting
  • liquiditeitsbegroting

 

12.4 de verschillende verplichtingen oprichtingseisen met betrekking tot de oprichting van een startende eenmanszaak door een ondernemer uitleggen.

Belangrijkste begrippen:

Oprichtingsverplichtingen Oprichtingseisen

  • inschrijving bij Kamer van Koophandel
  • registratie bij de Belastingdienst
  • vergunningen

Subdomein B2 12.1 gekoppeld aan C2 16

Subdomein B2 12.3.3 gekoppeld aan D2 18.1

Subdomein B2 12.3.3 gekoppeld aan F1 23

Subdomein B2 12.3.3 gekoppeld aan F2 25

 

Subdomein B3: Van eenmanszaak naar rechtspersoon

13. De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat de verschillende rechtsvormen kan uitleggen.

In dat verband kan de kandidaat

13.1 in de rol van ondernemer en/of bestuurder uitleggen wat een geschikte rechtsvorm voor de eigen organisatie is.

13.1.3 de kenmerken van de rechtsvormen eenmanszaak en vennootschap onder firma (openbare vennootschap) noemen met betrekking tot continuïteit, financiering, juridische aansprakelijkheid, belastingen, leiding, besluitvorming en zeggenschap.

13.1.4 de keuze voor een bepaalde rechtsvorm uitleggen.

13.1.5 de belangrijkste bevoegdheden van de organen binnen een organisatie: directie, noemen.

Belangrijkste begrippen:

rechtsvorm

  • natuurlijk persoon
  • eenmanszaak
  • vennootschap onder firma (openbare vennootschap)

organen binnen organisatie

  • directie

Subdomein B3  13.1.4  gekoppeld aan D2 19

 

Domein F: Financieel beleid 

De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en financiële overzichten opstellen. Hij kan financiële en niet-financiële informatie analyseren en het belang van beide uitleggen voor het besturen van de organisatie. Hij kan voor een handelsonderneming of dienstenonderneming de verschillende kostensoorten noemen, de winst berekenen en de verschillen analyseren.

Subdomein F1: Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie

23. De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en verwerken tot financiële overzichten.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat financiële overzichten kan opstellen en analyseren.

In dat verband kan de kandidaat

23.1 de gevolgen van financiële feiten, in de context van een eenmanszaak, voor de balans en winst- en verliesrekening analyseren. NB De kandidaat hoeft geen journaalposten op te stellen.

23.2 de kosten op basis van gegeven uitgaven en de opbrengsten op basis van gegeven ontvangsten en vice versa, berekenen.

23.3 een beginbalans, een liquiditeitsbegroting, een exploitatiebegroting en een geprognosticeerde eindbalans ten dienste van de interne verslaggeving opstellen.

23.4 de samenhang uitleggen tussen een exploitatiebegroting, een geprognosticeerde eindbalans en een liquiditeitsbegroting gegeven de beginbalans.

Belangrijkste begrippen:

financiële feiten transacties

  • inkoop (en ontvangst) van goederen en diensten (contant en op rekening)
  • verkoop (en aflevering) van goederen en diensten (contant en op rekening)
  • aflossen van schulden
  • afschrijving (op basis van aanschafwaarde)
  • btw aangifte
  • privéontvangsten en -uitgaven
  • overige ontvangsten inkomsten per kas en bank
  • overige uitgaven per kas en bank

financiële overzichten

  • beginbalans
  • liquiditeitsbegroting
  • exploitatiebegroting
  • geprognosticeerde eindbalans
  • winst- en verliesrekening
  • afzet
  • verkoopprijs
  • omzet
  • kosten
  • bedrijfsresultaat
  • financieringsresultaat
  • incidentele resultaat
  • resultaat voor winstbelasting
  • resultaat na winstbelasting
  • eigen vermogen
  • verandering mutatie liquide middelen
  • liquide middelen
  • gerealiseerde balans
  • voorraadgrootheden
  • stroomgrootheden

overlopende posten

  • nog te betalen bedragen
  • nog te ontvangen bedragen
  • vooruit betaalde bedragen
  • vooruit ontvangen bedragen