Bel ons: 043-3210509|info@uitgeverijstoffels.nl

BEDRIJF STARTEN HAVO 1e druk

les Maken door
leerling
les les les
1 1.1 t/m 1.6   11   2.25 t/m 2.26   21   3.30 t/m 3.33   31   4.7 t/m 4.8
2 1.7 t/m 1.12   12   D-toets 2   22   3.34 t/m 3.36   32   4.9
3 1.13 t/m 1.18   13   D-toets 2   23   D-toets 3   33   D-toets 4
4 1.19 t/m 1.23   14   3.1 t/m 3.5   24   D-toets 3   34   Case 4.1 of 4.2
5 1.24 D-toets 1   15   3.6 t/m 3.7   25   Case 3.1   35   Case 4.1 of 4.2
6 Case 1.1 en 1.2   16   3.8 t/m 3.10   26   Case 3.2   36   Case 4.1 of 4.2
7 Case 1.2   17   3.11 t/m 3.17   27   4.1 t/m 4.2   37   Case 4.1 of 4.2
8 2.1 t/m 2.12   18   3.18 t/m 3.20   28   4.3 t/m 4.4   38   4.1 t/m 5.2
9 2.13 t/m 2.20   19   3.21 t/m 3.26   29   4.5   39   D-toets 5.61 t/m 6.5
10 2.21 t/m 2.24   20   3.27 t/m 3.29   30   4.6

 

Studielast Bedrijf Starten havo

Doorwerken van de lesbrief 39 × 50/60    32 uur en 30 minuten
Studeren¹    12 uur
Proefwerk maken    2 uur en 30 minuten
Bespreken proefwerken    1 uur en 40 minuten
Extra vaardigheidsopdrachten    p.m.
Totaal   49 uur

Eindtermen Bedrijf Starten

Subdomein B2: De oprichting van een eenmanszaak

De kandidaat kan het proces voor en rond de oprichting van een eenmanszaak beschrijven en in de rol van ondernemer toepassen.

Voor het centraal examen betekent dit het uitleggen van het proces rond de oprichting van een eenmanszaak en het beoordelen van de rol (en de keuzes) van de ondernemer hierin.

In dat verband kan de kandidaat

12.1       de voor- en nadelen van een arbeidsrelatie versus zelfstandig ondernemerschap beoordelen.

12.2       de rol van de ondernemer bij het (creatieve) proces voor de oprichting van een eenmanszaak uitleggen.

12.3       in de rol van ondernemer de verschillende onderdelen van een ondernemingsplan opstellen.

12.3.3   een financieel plan opstellen

Belangrijkste begrippen

financieel plan

  • investeringsbegroting
  • financieringsbegroting
  • exploitatiebegroting
  • liquiditeitsbegroting

12.4    de verschillende oprichtingseisen met betrekking tot een startende eenmanszaak uitleggen.

Belangrijkste begrippen

Oprichtingseisen

  • inschrijving bij Kamer van Koophandel
  • registratie bij de Belastingdienst
  • vergunningen

Subdomein B2 12.1 gekoppeld aan C2 16

Subdomein B2 12.3.3 gekoppeld aan D2 18.1

Subdomein B2 12.3.3 gekoppeld aan F1 23

Subdomein B2 12.3.3 gekoppeld aan F2 25

Subdomein B3: Van eenmanszaak naar rechtspersoon

De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat de verschillende rechtsvormen kan uitleggen.

13.1

In dat verband kan de kandidaat in de rol van ondernemer uitleggen wat een geschikte rechtsvorm voor de eigen organisatie is.

13.1.1   het begrip rechtsvorm noemen.

13.1.3   de kenmerken van de rechtsvormen eenmanszaak, vennootschap onder firma noemen met betrekking tot continuïteit, financiering, juridische aansprakelijkheid, belastingen, leiding, besluitvorming en zeggenschap.

13.1.4   de keuze voor een bepaalde rechtsvorm uitleggen.

13.1.5   de belangrijkste bevoegdheden van de organen binnen een organisatie: directie,

Belangrijkste begrippen

rechtsvorm

  • natuurlijk persoon
  • eenmanszaak
  • vennootschap onder firma (openbare vennootschap)

organen binnen organisatie

  • directie

Subdomein B3 13.1.4 gekoppeld aan D2 19

Domein D: Investeren en Financieren

De kandidaat kan bij een investeringsvraagstuk noemen welke gegevens relevant zijn, uitleggen of een investering economisch zinvol is en hierbij verschillende investeringsselectiemethoden analyseren en beoordelen. Hij kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt uitleggen. De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen noemen en uitleggen welke risico’s financiering met vreemd vermogen met zich meebrengen.

Subdomein D2: Financieren

De kandidaat kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit:

18.1    dat de kandidaat de verschillende financieringsmogelijkheden voor een startende eenmanszaak kan analyseren.

In dat verband kan de kandidaat

18.1.1 verschillende financieringswijzen noemen.

18.1.2 de voorwaarden die de financiers stellen, analyseren.

Belangrijkste begrippen

Financieringswijzen

  • banken
  • overige vermogensverschaffers
  • eigen inbreng

Belangrijkste begrippen

vermogensmarkt

  • openbaar en onderhands vermogen

19.   De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen onderscheiden.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat in de context van een financieringsvraagstuk vanuit het perspectief van een organisatie de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen kan uitleggen. De kandidaat kan de daarbij behorende berekeningen maken.

In dat verband kan de kandidaat

19.5    de verschillen tussen de vormen van lang vreemd vermogen, i.c. hypothecaire lening en onderhandse lening noemen.

19.6    de verschillen tussen vormen van kort vreemd vermogen, i.c. rekening-courant krediet, leverancierskrediet en afnemerskrediet noemen.

Belangrijkste begrippen

lang vreemd vermogen

  • hypothecaire lening
  • onderhandse lening

kort vreemd vermogen

  • bankkrediet (rekeningcourantkrediet)
  • leverancierskrediet
  • afnemerskrediet

Domein F: Financieel beleid

De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en financiële overzichten opstellen. Hij kan financiële en niet-financiële informatie analyseren en het belang van beide uitleggen voor het besturen van de organisatie. Hij kan voor een handelsonderneming of dienstenonderneming de verschillende kostensoorten noemen, de winst berekenen en de verschillen analyseren.

Subdomein F1: Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie

23. De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en verwerken tot financiële overzichten.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat financiële overzichten kan opstellen en analyseren.

In dat verband kan de kandidaat

23.1    de gevolgen van financiële feiten, in de context van een eenmanszaak, voor de balans en winst- en verliesrekening analyseren. NB De kandidaat hoeft geen journaalposten op te stellen.

23.2    de kosten op basis van gegeven uitgaven en de opbrengsten op basis van gegeven ontvangsten en vice versa, berekenen.

23.3    een beginbalans, een liquiditeitsbegroting, een exploitatiebegroting en een geprognosticeerde eindbalans ten dienste van de interne verslaggeving opstellen.

23.4    de samenhang uitleggen tussen een exploitatiebegroting, een geprognosticeerde eindbalans en een liquiditeitsbegroting gegeven de beginbalans.

Belangrijkste begrippen

financiële transacties

  • inkoop (en ontvangst) van goederen en diensten (contant en op rekening)
  • verkoop (en aflevering) van   goederen en diensten (contant en op rekening)
  • aflossen van schulden
  • afschrijving (op basis van aanschafwaarde)
  • btw aangifte
  • privé
  • overige inkomsten per kas en bank
  • overige uitgaven per kas en bank

financiële overzichten

  • beginbalans
  • liquiditeitsbegroting
  • exploitatiebegroting
  • geprognosticeerde eindbalans
  • winst- en verliesrekening
  • afzet
  • verkoopprijs
  • omzet
  • kosten
  • bedrijfsresultaat
  • resultaat voor winstbelasting
  • resultaat na winstbelasting
  • eigen vermogen
  • mutatie liquide middelen
  • liquide middelen
  • gerealiseerde balans
  • voorraadgrootheden
  • stroomgrootheden

overlopende posten

  • nog te betalen bedragen
  • nog te ontvangen bedragen
  • vooruit betaalde bedragen
  • vooruit ontvangen bedragen

Subdomein F2: Kosten- en winstvraagstukken

25.  De kandidaat kan voor een dienstverlenende onderneming de verschillende kostensoorten onderscheiden, de winst bepalen en verschillen verklaren.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat voor een dienstverlenende de opbrengsten en kosten kan noemen, de winst kan berekenen en de mogelijke verschillen kan uitleggen.

In dat verband kan de kandidaat

25.5       het onderscheid uitleggen tussen het periodetoerekeningstelsel en het kasstelsel.

25.6       financiële opbrengsten en kosten berekenen.

Belangrijkste begrippen

opbrengsten

  • omzet

btw

  • te vorderen btw
  • te betalen btw
  • af te dragen btw

periodetoerekeningstelsel

kasstelsel

  • ontvangsten
  • opbrengsten
  • uitgaven
  • kosten

financiële opbrengsten en kosten

  • interestkosten
  • interestopbrengsten

resultaat voor winstbelasting