Bel ons: 043-3210509|info@uitgeverijstoffels.nl

FINANCIELE ZELFREDZAAMHEID HAVO 1e druk

les Maken door
leerling
les les les
1 Opdracht 1.1 t/m 1.8 9 3.1 t/m 3.6 17 Case 4.3 25 6.8 t/m D-toets 6 (1 t/m 7)
2 D-toets1, case 1.1 10 3.7 t/m 3.11 18 5.1 t/m 5.6.3 26 D-toets 6 (8), case 6.1
3 Case 1.1 11 3.12 t/m 3.16 D-toets 3 19 5.6.4 t/m 5.14 27 7.1 t/m 7.7
4 Case 1.2, 1.3 12 D-toets 3, case 3.1 20 5.15 t/m 5.21 28 7.8 t/m 7.12
5 2.1 t/m 2.5 13 4.1 t/m 4.8 21 5.22 t/m D-toets 5 ( 1 t/m 11) 29 7.13 t/m 7.15
6 2.6 t/m 2.9 14 4.9 t/m 4.14 22 D-toets 5 (12 t/m 16) 30 D-toets 7
7 D-toets 2 15 D-toets 4, case 4.1 23 Cse 5.1 en 5.2 31 Case 7.1 t/m 7.3
8 Case 2.1, 2.2 16 Case 4.1, 4.2 24 6.1 t/m 6.7

 

Studielast Financiële Zelfredzaamheid havo

Doorwerken van de lesbrief 31 × 50/60 25 uur en 50 minuten
Studeren¹ 10 uur
Proefwerk maken 2 uur en 30 minuten
Bespreken proefwerken 1 uur en 40 minuten
Extra vaardigheidsopdrachten p.m.
Totaal 40 uur

¹) Het betreft hier de tijd die nodig is voor het eventueel maken van een samenvatting, het bestuderen van de stof voor proefwerken, school- en centraal examen.

Eindtermen Financiële Zelfredzaamheid

Domein B: Van persoon naar rechtspersoon
De kandidaat kan (maatschappelijke) vraagstukken met persoonlijke financiële consequenties herkennen en financieel onderbouwde keuzes maken. Hij kan kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven en, in het bijzonder, het proces voor en rond de oprichting van een eenmanszaak beschrijven en de rol van de ondernemer beoordelen.

Subdomein B1: Persoonlijke financiële zelfredzaamheid
11. De kandidaat kan vraagstukken met persoonlijke financiële consequenties herkennen en (financieel) onderbouwde keuzes maken.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat de financiële consequenties van persoonlijke vraagstukken kan uitleggen (korte en lange termijn).

In dat verband kan de kandidaat

11.1 bij de keuze voor een opleiding (niet-)financiële overwegingen als

  • een opleiding is een investeringsvraagstuk;
  • het belang van een opleiding voor het individu en voor de samenleving   uitleggen.

11.2 financiële keuzes met betrekking tot verzekeren, lenen, sparen en beleggen uitleggen.

11.2.1    de voor- en nadelen van zich wel of niet verzekeren uitleggen.

11.2.2   het onderscheid tussen een levensverzekering en een schadeverzekering noemen.

11.2.3   de verschillen tussen consumptief krediet en hypothecair krediet noemen.

11.2.4   de financiële gevolgen van krediet voor de kredietontvanger, noemen.

11.2.5   de periodieke interestbedragen, de periodieke aflossingsbedragen en de schuldrest bij de vormen van consumptief krediet en hypothecair krediet berekenen.

11.2.6   het verschil tussen enkelvoudige en samengestelde interest uitleggen.

11.2.7   de interest op basis van enkelvoudige interest berekenen.

11.2.8   de contante waarde en de eindwaarde van een kapitaal berekenen op basis van samengestelde interest.

11.2.9   de voor- en nadelen van het verschil tussen vrijwillig sparen en verplicht sparen uitleggen.

11.2.10 de verplichte spaarvorm van het bedrijfspensioen noemen.

11.2.11 de verschillende vrijwillige spaarvormen als vrij opneembaar en niet vrij opneembaar noemen.

11.2.12 de vermogenstitels waarin belegd kan worden zoals aandelen, obligaties en beleggingsfondsen noemen.

11.2.13 de verschillen in risico en rendement tussen de vermogenstitels uitleggen

Belangrijkste begrippen:

verzekeren

  • levensverzekering
  • schadeverzekeringen

lenen

  • consumptief krediet
  • hypothecair krediet
  • rente- en aflossingsverplichtingen
  • financiële gevolgen

sparen

  • enkelvoudige en samengestelde
  • interest
  • contante waarde
  • eindwaarde
  • direct opneembare en niet-direct opneembare spaartegoeden
  • bedrijfspensioen als een vorm van verplicht sparen

beleggen

  • aandelen
  • obligaties
  • beleggingsfondsen
  • effectenbeurs

11.3       de keuze voor het huren of kopen van een woonhuis financieel uitleggen.

11.3.1   de functie van de verschillende partijen op de hypotheekmarkt noemen

11.3.2   de vormen van hypothecair krediet: lineaire hypotheek en annuïteitenhypotheek noemen

11.3.3   de voor- en nadelen van de genoemde hypotheekvormen noemen en berekenen met betrekking tot de rente- en aflossingsverplichting voor de hypotheekgever.

11.3.4   de financiële gevolgen, inclusief de fiscale, van de genoemde hypotheekvormen voor de hypotheekgever uitleggen.

Belangrijkste begrippen

Huren

kopen

partijen op hypotheekmarkt

  • bank
  • hypotheekadviseur
  • makelaar
  • notaris

hypothecair krediet

  • lineaire hypotheek
  • annuïteitenhypotheek

 

11.4       de financiële en wettelijke consequenties van samenwonen, trouwen, scheiden, schenken en erven noemen.

11.4.1   de verschillende registratievormen voor samenwonen noemen.

11.4.2   de verschillen tussen “huwelijkse voorwaarden” en “ in gemeenschap van goederen” noemen.

11.4.3   de wettelijke consequenties van scheiden op het gebied van scheidingsprocedure, partnerpensioenrechten en alimentatie noemen.

11.4.4   de wettelijke en fiscale consequenties inzake schenking als gevolg van de schenkovereenkomst noemen.

11.4.5   de wettelijke en fiscale consequenties inzake erven op het gebied van erfgerechtigden, aanvaarden of verwerpen van de erfenis en de successierechten noemen.

Belangrijkste begrippen

samenwonen zonder samenlevingscontract

samenwonen met samenlevingscontract

trouwen

geregistreerd partnerschap

  • in gemeenschap van goederen
  • op huwelijkse voorwaarden/ partnerschapsvoorwaarden

scheiden

  • scheidingsprocedure
  • partnerpensioenrechten
  • alimentatie / onderhoudsverplichting

schenken

  • overeenkomst om niet
  • onder bewind
  • uitsluitingsclausule
  • schenkbelasting
  • belastingvrijstelling
  • vrijstellingen bij schenkingen aan ANBI

erven

  • testament
  • erfgenamen
  • onterven
  • legitieme portie
  • verwerpen
  • aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving / beneficiair aanvaarden
  • zuiver aanvaarden
  • successierechten

 

Subdomein B1 11.2 gekoppeld aan D2 18.1 en 18.2