Bel ons: 043-3210509|info@uitgeverijstoffels.nl

Financiering en Verslaggeving

FINANCIERING EN VERSLAGGEVING HAVO 1e druk

les Maken door leerling les les les
1 opdr. 1.1 t/m 1.5 9 2.17 t/m 2.19 17 5.4 t/m 5.6 25 D-toets 5: 16 , 17, Case 5.1 (deel)
2 1.6 t/m 1.8 10 2.20 en 2.21 18 5.7 en 5.8 26 Case 5.1
3 1.9, 1.10 D-toets 1 11 2.22 D-toets 2 19 5.9 t/m 5.12 27 6.1 t/m 6.5
4 Case 1.1 12 3.1 t/m 3.4 20 5.13 t/m 5.15 28 6.6 t/m 6.10
5 2.1 t/m 2.6 13 3.5 t/m 3.7 21 5.16, 5.17 (deel) 29 D-toets 6
6 2.7 t/m 2.10 14 D-toets 3, 4.1, 4.2 22 5.17 (deel), 5.18 30 Case 6.1
7 2.11 t/m 2.14 15 4.3 t/m 4.5, D-toets 4 23 5.19 en 5.20 31 Case 6.1
8 2.15 en 2.16 16 5.1 t/m 5.3 24 D-toets 5: 1 t/m 15

 

Studielast Financiering en Verslaggeving Havo

Doorwerken van de lesbrief 31 x 50/60  25 uur en 50 minuten
Studeren  15 uur
Proefwerken maken  1 uur en 40 minuten
Bespreken proefwerk  1 uur
Extra vaardigheidsopdrachten  p.m.
Totaal  44 uur

Eindtermen Financiering en Verslaggeving Havo
Subdomein B3: Van eenmanszaak naar rechtspersoon
13. De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat de verschillende rechtsvormen kan uitleggen.
In dat verband kan de kandidaat

13.1   in de rol van ondernemer uitleggen wat een geschikte rechtsvorm voor de eigen organisatie is.
13.1.1   het begrip rechtsvorm noemen.
13.1.2   het verschil tussen natuurlijk persoon en rechtspersoon uitleggen.
13.1.3   de kenmerken van de rechtsvormen besloten vennootschap, naamloze vennootschap, noemen met betrekking tot continuïteit,   financiering, juridische aansprakelijkheid, belastingen, leiding, besluitvorming en zeggenschap.
13.1.4   de keuze voor een bepaalde rechtsvorm uitleggen.
13.1.5   de belangrijkste bevoegdheden van de organen binnen een organisatie: directie, raad van commissarissen, ledenvergadering en algemene vergadering van aandeelhouders noemen.
13.1.6   de redenen tot het beëindigen van een organisatie uitleggen.
13.1.7   de begrippen surseance van betaling en faillissement uitleggen.
13.1.8   de gevolgen van een surseance van betaling voor de stakeholders uitleggen.
13.1.9   de gevolgen van een faillissement voor de stakeholders uitleggen.

Belangrijkste begrippen
rechtsvorm
– natuurlijk persoon
– rechtspersoon
– besloten vennootschap
– naamloze vennootschap
organen binnen organisatie
– directie
– raad van commissarissen
– algemene vergadering van aandeelhouders
beëindiging organisatie
– surseance van betaling
– faillissement
– zonder bedrijfsopvolging/verkoop

Subdomein B3 13.1.4 gekoppeld aan D2 19

Subdomein B4: Perspectief op de organisatie
14. De kandidaat kan de plaats van de organisatie in de maatschappij beschrijven.

14.2   het bestaansrecht van een organisatie uitleggen.
14.2.3   de betekenis van de controleverklaring en de rol van de externe accountant in het maatschappelijk verkeer uitleggen

Belangrijkste begrippen
controleverklaring
– verslaggeving

Subdomein B4 14.2.3 gekoppeld aan G 26.1, 26.2 en 26.6

Domein D: Investeren en Financieren

De kandidaat kan bij een investeringsvraagstuk noemen welke gegevens relevant zijn, uitleggen of een investering economisch zinvol is en hierbij verschillende investeringsselectiemethoden analyseren en beoordelen. Hij kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogens-markt uitleggen. De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen noemen en uitleggen welke risico’s financiering met vreemd vermogen met zich meebrengen.

Subdomein D2: Financieren

18. De kandidaat kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit:

18.1   dat de kandidaat de verschillende financieringsmogelijkheden voor een startende eenmanszaak kan analyseren.
In dit verband kan de kandidaat
18.1.1   de verschillende financieringswijzen noemen.
18.1.2   de voorwaarden die financiers stellen, analyseren.

Belangrijkste begrippen:
Financieringswijzen
– banken
– overige vermogensverschaffers
– eigen inbreng

18.2   dat de kandidaat vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt kan uitleggen.
In dat verband kan de kandidaat
18.2.1    het belang van de vermogensmarkt voor een onderneming uitleggen.
18.2.2    de verschillen tussen de vermogenstitels noemen.
18.2.3    de belangrijkste toezichthouders op de vermogensmarkt noemen en hun rol uitleggen.

Belangrijkste begrippen:
vermogensmarkt
– openbaar en onderhands vermogen
effectenbeurs
– aandelen
– obligaties
– beleggingsfondsen
– koersverloop
toezichthouders
– AFM
– DNB
– ACM

19. De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen onderscheiden.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat in de context van een financieringsvraagstuk vanuit het perspectief van een organisatie de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen kan uitleggen. De kandidaat kan de daarbij behorende berekeningen maken.
In dat verband kan de kandidaat

19.1   het onderscheid tussen het maatschappelijk aandelenkapitaal en het geplaatst aandelenkapitaal berekenen.
19.2   het onderscheid tussen de nominale waarde, beurskoers, emissiekoers en intrinsieke waarde van een aandeel uitleggen.
19.3   de invloed van het beursklimaat, de beurskoers en de toekomstverwachting op de emissiekoers uitleggen.
19.4   het agio op aandelen berekenen.
19.5   de verschillen tussen de vormen van lang vreemd vermogen, i.c. hypothecaire lening, obligatielening en onderhandse lening noemen.
19.6   de verschillen tussen vormen van kort vreemd vermogen, i.c. rekening-courant krediet, leverancierskrediet en afnemerskrediet noemen.
19.7   de winstverdeling opstellen.

Belangrijkste begrippen:
aandelenkapitaal
– maatschappelijk aandelenkapitaal
– geplaatst aandelenkapitaal
aandeel
– nominale waarde
– intrinsieke waarde
– emissiekoers
– agio op aandelen
– beurskoers
lang vreemd vermogen
– hypothecaire lening
– onderhandse lening
– obligatielening
kort vreemd vermogen
– bankkrediet (rekeningcourantkrediet)
– leverancierskrediet
– afnemerskrediet
winstverdeling
– resultaat voor winstverdeling
– vennootschapsbelasting
– dividend in euro’s

20. De kandidaat kan onderkennen welke risico’s financiering met vreemd vermogen met zich meebrengt.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat kan analyseren welke risico’s financiering met vreemd vermogen met zich meebrengt.
In dit verband kan de kandidaat

20.1   de gevolgen van de verhouding tussen eigen vermogen/vreemd vermogen voor het interestpercentage op vreemd vermogen en het faillissementsrisico analyseren.

Belangrijkste begrippen:
– de verhouding eigen vermogen/vreemd vermogen
– faillissementsrisico

Domein G: Verslaggeving

De kandidaat kan een eenvoudige jaarrekening van een organisatie analyseren.

26. De kandidaat kan de jaarrekening van een eenvoudige organisatie (zoals een MKB-bedrijf) interpreteren en uitleggen.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat een eenvoudige jaarrekening zoals een MKB-bedrijf kan analyseren.
In dit verban kan de kandidaat

26.1   uitleggen wat de verschillende posten op de balans en winst- en verliesrekening van de jaarrekening inhouden.
26.2   uitleggen wat de relevantie is van ‘niet uit de balans blijkende verplichtingen en risico’s”.
26.3   kengetallen ter beoordeling van de onderneming berekenen
  – liquiditeitsratio’s: current ratio, quick ratio
  – solvabiliteitsratio’s: EV/VV, VV/TV
  – rentabiliteitsratio’s: winst per aandeel, REV, RTV, IVV, cash flow per aandeel
26.4   uitleggen welke voor- en nadelen zijn verbonden aan het hanteren van kengetallen.
26.5   aan de hand van kengetallen van twee opeenvolgende balansen en/of winst- en verliesrekening de ontwikkeling analyseren van de   organisatie op het terrein van de financiële structuur, liquiditeit, solvabiliteit, rentabiliteit en cashflow.
26.6 de betekenis van de accountantsverklaring en de rol van de externe accountant in het maatschappelijk verkeer uitleggen.

Belangrijkste begrippen:
jaarverslag
jaarrekening
bestuursverslag
balans
vaste activa
– immateriële vaste activa
– materiële vaste activa
– financiële vaste activa
vlottende activa
– voorraad
– debiteuren
– effecten
– overlopende posten
– liquide middelen
eigen vermogen
– eigen vermogen
– reserves
– resultaat
verplichtingen op lange termijn
– hypothecaire lening
– onderhandse lening
– voorziening
verplichtingen op korte termijn
– crediteuren
– rekening-courantkrediet
– overlopende posten
voorzieningen
– onderhoudsvoorziening
– garantievoorziening
– pensioenvoorziening
niet uit de balans blijkende verplichtingen en risico’s
winst- en verliesrekening
– omzet
– kosten
– resultaat
financiële kengetallen
– liquiditeitsrisico
– current ratio
– quick ratio
– solvabiliteitsratio
– EV/VV
– VV/TV
– rentabiliteitsratio
– resultaat per aandeel
– cashflow per aandeel
– REV
– RTV
– IVV
contoleverklaring van de accountant
verkoopwinst
break-even afzet
break-even omzet

Domein F: Financieel beleid

De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en financiële overzichten opstellen. Hij kan financiële en niet-financiële informatie analyseren en het belang van beide uitleggen voor het besturen van de organisatie. Hij kan voor een handelsonderneming of dienstenonderneming de verschillende kostensoorten noemen, de winst berekenen en de verschillen analyseren.

Subdomein F2: Kosten- en winstvraagstukken
25. De kandidaat kan voor een dienstverlenende onderneming de verschillende kostensoorten onderscheiden, de winst bepalen en verschillen verklaren.

25.5   het onderscheid uitleggen tussen het periodetoerekeningstelsel en het kasstelsel.
25.6   financiële opbrengsten en kosten berekenen.
25.8   het gerealiseerde bedrijfsresultaat en het gerealiseerde resultaat voor en na winstbelastingen berekenen.
25.9   de begrote en gerealiseerde resultaten berekenen.
25.10   berekenen of het resultaat na winstbelasting voldoende is om ondernemersbeloning en aflossingen op te brengen.

Belangrijkste begrippen:
opbrengsten
– omzet
periodetoerekeningstelsel
kasstelsel
– ontvangsten
– opbrengsten
– uitgaven
– kosten
financiële opbrengsten en kosten
– interestkosten
– interestopbrengsten
bedrijfsresultaat
– incidenteel resultaat
resultaat voor winstbelasting
resultaat na winstbelasting
– vennootschapsbelasting
– inkomstenbelasting
ondernemersinkomen/-beloning
– ondernemersrisico
– gewaardeerd loon
– gederfde interest