FINANCIERING EN VERSLAGGEVING HAVO 2e druk

les Maken door leerling les les les
1 opdr. 1.1 t/m 1.5 8 2.15 t/m 2.17 15 5.1 t/m 5.3 22 5.19, 5.20
2 1.6 t/m 1.8 9 2.18, 2.19 16 5.4 t/m 5.6 23 D-toets 5: 1 t/m 15
3 1.9, D-toets 1 10 D-toets 2 17 5.7, 5.8 24 D-toets 5 : 16,17, Case 5.1
4 Case 1.1 11 3.1 t/m 3.4 18 5.9 t/m 5.12 25 6.1 t/m 6.5
5 2.1 t/m 2.6 12 3.5 t/m 3.8 19 5.13 t/m 5.15 26 6.6 t/m 6.10
6 2.7 t/m 2.11 13 D-toets 3, opdr 4.1 20 5.16, 5.17 (deel) 27 D-toets 6, Case 6.1
7 2.12 t/m 2.14 14 4.2 t/m 4.4, D-toets 4 21 5.17 (deel), 5.18 28 Case 6.1

 

Studielast Financiering en Verslaggeving Havo

Doorwerken van de lesbrief 28 x 50/60  23 uur en 20 minuten
Studeren  15 uur
Proefwerken maken  1 uur en 40 minuten
Bespreken proefwerk  1 uur
Extra vaardigheidsopdrachten  p.m.
Totaal  41 uur

 

FINANCIERING EN VERSLAGGEVING HAVO 1e druk

les Maken door leerling les les les
1 opdr. 1.1 t/m 1.5 9 2.17 t/m 2.19 17 5.4 t/m 5.6 25 D-toets 5: 16,17, Case 5.1 deel
2 1.6 t/m 1.8 10 2.20, 2.21 18 5.7, 5.8 26 Case 5.1
3 1.9,1.10 D-toets 1 11 2.22 D-toets 2 19 5.9 t/m 5.12 27 6.1 t/m 6.5
4 Case 1.1 12 3.1 t/m 3.4 20 5.13 t/m 5.15 28 6.6 t/m 6.10
5 2.1 t/m 2.6 13 3.5 t/m 3.7 21 5.16, 5.17 (deel) 29 D-toets 6
6 2.7 t/m 2.10 14 D-toets 3, 4.1, 4.2 22 5.17 (deel), 5.18 30 Case 6.1
7 2.11 t/m 2.14 15 4.3 t/m 4.5, D-toets 4 23 5.19, 5.20 31 Case 6.1
8 2.15, 2.16 16 5.1 t/m 5.3 24 D-toets 5: 1 t/m 15    

 

Studielast Financiering en Verslaggeving Havo

Doorwerken van de lesbrief 31 x 50/60  25 uur en 50 minuten
Studeren  15 uur
Proefwerken maken  1 uur en 40 minuten
Bespreken proefwerk  1 uur
Extra vaardigheidsopdrachten  p.m.
Totaal  44 uur

 

Eindtermen Financiering en Verslaggeving Havo

Het CE Havo 2020 is gebaseerd op de Syllabus CE 2020 Versie 4, juni 2018

Let op: het CE 2021 is gebaseerd op de syllabus CE 2021 Versie 2, juni 2019

De verschillen tussen de syllabus 2020 en 2021 zijn in de handleiding grijs gearceerd en op de website rood gearceerd. In de syllabus 2021 zijn enkele onderdelen dus geschrapt in vergelijking met de syllabus 2020, maar er zijn ook nieuwe onderdelen toegevoegd. Onderdelen die zijn doorgestreept hoeven leerlingen op het CE 2021 niet meer te kennen. De nieuwe toegevoegde onderdelen moeten ze in 2021 wel kennen.

In de 2e druk van de lesbrieven zijn de nieuwe en de geschrapte onderdelen voor het CE 2021 verwerkt.

 

Subdomein B3: Van eenmanszaak naar rechtspersoon

13. De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat de verschillende rechtsvormen kan uitleggen.

In dat verband kan de kandidaat

13.1 in de rol van ondernemer en/of bestuurder uitleggen wat een geschikte rechtsvorm voor de eigen organisatie is.

13.1.1 het begrip rechtsvorm noemen.

13.1.2 het verschil tussen natuurlijk persoon en rechtspersoon uitleggen.

13.1.3 de kenmerken van de rechtsvormen besloten vennootschap, naamloze vennootschap, noemen met betrekking tot continuïteit, financiering, juridische aansprakelijkheid, belastingen, leiding, besluitvorming en zeggenschap.

13.1.4 de keuze voor een bepaalde rechtsvorm uitleggen.

13.1.5 de belangrijkste bevoegdheden van de organen binnen een organisatie: directie, bestuur, raad van commissarissen ledenvergadering en algemene vergadering van aandeelhouders noemen.

13.1.6 de redenen tot het beëindigen van een organisatie uitleggen.

13.1.7 de begrippen surseance van betaling en faillissement uitleggen.

13.1.8 de gevolgen van een surseance van betaling voor de stakeholders uitleggen.

13.1.9 de gevolgen van een faillissement voor de stakeholders uitleggen.

Belangrijkste begrippen:

rechtsvorm

  • natuurlijk persoon
  • rechtspersoon
  • besloten vennootschap
  • naamloze vennootschap

organen binnen organisatie

  • bestuur
  • raad van commissarissen
  • algemene vergadering van aandeelhouders

beëindigen organisatie

  • surseance van betaling
  • faillissement
  • zonder bedrijfsopvolging/verkoop

Subdomein B3  13.1.4  gekoppeld aan D2 19

 

Subdomein B4: Perspectief op de organisatie

14. De kandidaat kan de plaats van de organisatie in de maatschappij beschrijven.

14.2 het bestaansrecht van een organisatie uitleggen.

14.2.3 de betekenis van de controleverklaring en de rol van de externe accountant in het maatschappelijk verkeer uitleggen.

Belangrijkste begrippen:

controleverklaring

  • verslaggeving

Subdomein B4 14.2.3 gekoppeld aan G 26.1, 26.2 en 26.6

 

Domein D: Investeren en Financieren 

De kandidaat kan bij een investeringsvraagstuk noemen welke gegevens relevant zijn, uitleggen of een investering economisch zinvol is en hierbij verschillende investeringsselectiemethoden analyseren en beoordelen. Hij kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogens-markt uitleggen. De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen noemen en uitleggen welke risico’s financiering met vreemd vermogen met zich meebrengen.

 

Subdomein D2: Financieren

18. De kandidaat kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit:

18.1 dat de kandidaat de verschillende financieringsmogelijkheden voor een startende eenmanszaak kan analyseren.

In dat verband kan de kandidaat

18.1.1 verschillende financieringswijzen noemen.

18.1.2 de voorwaarden die de financiers stellen, analyseren.

Belangrijkste begrippen:

Financieringswijzen

  • banken
  • overige vermogensverschaffers
  • eigen inbreng

 

18.2 dat de kandidaat vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt kan uitleggen.

In dat verband kan de kandidaat

18.2.1 het belang van de vermogensmarkt voor een onderneming uitleggen.

18.2.2 de verschillen tussen de vermogenstitels noemen.

18.2.3 de belangrijkste toezichthouders op de vermogensmarkt noemen en hun rol uitleggen.

Belangrijkste begrippen:

vermogensmarkt

  • openbaar en onderhands vermogen

effectenbeurs

  • aandelen
  • obligaties
  • beleggingsfondsen
  • koersverloop

toezichthouders

  • AFM
  • DNB
  • ACM

 

19. De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen onderscheiden.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat in de context van een financieringsvraagstuk vanuit het perspectief van een organisatie de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen kan uitleggen. De kandidaat kan de daarbij behorende berekeningen maken.

In dat verband kan de kandidaat

19.1 het verschil onderscheid tussen het maatschappelijk aandelenkapitaal en het geplaatst aandelenkapitaal berekenen.

19.2 het onderscheid tussen de nominale waarde, beurskoers, emissiekoers en intrinsieke waarde van een aandeel uitleggen.

19.3 de invloed van het beursklimaat, de beurskoers en de toekomstverwachting op de emissiekoers uitleggen.

19.4 het agio op aandelen berekenen.

19.5 de verschillen tussen de vormen van lang vreemd vermogen, i.c. hypothecaire lening, obligatielening en onderhandse lening noemen.

19.6 de verschillen tussen vormen van kort vreemd vermogen, i.c. rekening-courant krediet, leverancierskrediet en afnemerskrediet noemen.

Belangrijkste begrippen:

aandelenkapitaal

  • maatschappelijk aandelenkapitaal
  • geplaatst aandelenkapitaal

aandeel

  • nominale waarde
  • intrinsieke waarde
  • emissiekoers
  • agio op aandelen
  • beurskoers
  • dividend

lang vreemd vermogen

  • hypothecaire lening
  • onderhandse lening
  • obligatielening

kort vreemd vermogen

  • bankkrediet (rekeningcourantkrediet) rekening-courantkrediet (bankkrediet)
  • leverancierskrediet
  • afnemerskrediet

 

20. De kandidaat kan onderkennen welke risico’s financiering met vreemd vermogen met zich meebrengt.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat kan analyseren welke risico’s financiering met vreemd vermogen met zich meebrengt.

In dat verband kan de kandidaat

20.1 de gevolgen van de verhouding tussen eigen vermogen/vreemd vermogen voor het interestpercentage op vreemd vermogen en het faillissementsrisico analyseren.

Belangrijkste begrippen:

de verhouding eigen vermogen/vreemd vermogen;

faillissementsrisico

 

Subdomein F2: Kosten- en winstvraagstukken

25. De kandidaat kan voor een dienstverlenende onderneming de verschillende kostensoorten onderscheiden, de winst bepalen en verschillen verklaren.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat voor een dienstverlenende onderneming de opbrengsten en kosten kan noemen, de winst kan berekenen en de mogelijke verschillen kan uitleggen.

In dat verband kan de kandidaat

25.12 de winstverdeling opstellen

Belangrijkste begrippen:

Winstverdeling

  • resultaat voor winstverdeling
  • dividend in euro’s
  • dividendbelasting
  • winstreservering

 

Domein G: Verslaggeving

De kandidaat kan een eenvoudige jaarrekening van een organisatie analyseren.

26. De kandidaat kan de jaarrekening van een eenvoudige organisatie (zoals een MKB-bedrijf) interpreteren en uitleggen.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat een eenvoudige jaarrekening zoals van een MKB bedrijf kan analyseren.

In dat verband kan de kandidaat

26.1 uitleggen wat de verschillende posten op de balans en winst- en verliesrekening van de jaarrekening inhouden.

26.2 uitleggen wat de relevantie is van “niet uit de balans blijkende verplichtingen en risico’s”.

26.3 kengetallen ter beoordeling van de onderneming berekenen:

  • liquiditeitsratio’s: current ratio, quick ratio
  • solvabiliteitsratio’s: EV/VV, VV/TV
  • rentabiliteitsratio’s: resultaat winst per aandeel, REV, RTV, IVV, cash flow per aandeel

26.4 uitleggen welke voor- en nadelen zijn verbonden aan het hanteren van kengetallen.

26.5 aan de hand van kengetallen van twee opeenvolgende balansen en/of winst- en verliesrekeningen de ontwikkeling analyseren van de organisatie op het terrein van de financiële structuur, liquiditeit, solvabiliteit, rentabiliteit en cashflow.

26.6 de betekenis van de accountantsverklaring en de rol van de externe accountant in het maatschappelijk verkeer uitleggen.

Belangrijkste begrippen:

jaarverslag

  • bestuursverslag

jaarrekening

  • balans
  • winst- en verliesrekening

vaste activa

  • immateriële vaste activa
  • materiele vaste activa
  • financiële vaste activa

vlottende activa

  • voorraad
  • debiteuren
  • effecten
  • overlopende posten/transitorische posten
  • liquide middelen

eigen vermogen

  • eigen vermogen
  • reserves
  • resultaat

verplichtingen op lange termijn

  • hypothecaire lening
  • onderhandse lening
  • voorziening

verplichtingen op korte termijn

  • crediteuren
  • rekening-courantkrediet
  • overlopende posten/transitorische posten

voorzieningen

  • onderhoudsvoorziening
  • garantievoorziening
  • pensioenvoorziening

niet uit de balans blijkende verplichtingen en risico’s

winst- en verliesrekening  

  • omzet
  • kosten
  • resultaat

financiële kengetallen

  • liquiditeitsratio
    • current ratio
    • quick ratio
  • solvabiliteitsratio
    • EV/VV
    • VV/TV
  • rentabiliteitsratio
    • resultaat per aandeel
    • cashflow per aandeel
    • REV
    • RTV
    • IVV

controleverklaring van de accountant

verkoopwinst

 

Domein F: Financieel beleid 

De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en financiële overzichten opstellen. Hij kan financiële en niet-financiële informatie analyseren en het belang van beide uitleggen voor het besturen van de organisatie. Hij kan voor een dienstenonderneming de verschillende kostensoorten noemen, de winst berekenen en de verschillen analyseren.

 

Subdomein F2: Kosten- en winstvraagstukken

25. De kandidaat kan voor een dienstverlenende onderneming de verschillende kostensoorten onderscheiden, de winst bepalen en verschillen verklaren.

25.5 het onderscheid uitleggen tussen het periodetoerekeningstelsel en het kasstelsel.

25.6 financiële opbrengsten en kosten berekenen.

25.8 het gerealiseerde bedrijfsresultaat en het gerealiseerde resultaat voor en na winstbelastingen berekenen.

25.9 de begrote en gerealiseerde resultaten berekenen.

25.10 berekenen of het resultaat na winstbelasting voldoende is om ondernemersbeloning en aflossingen op te brengen.

Belangrijkste begrippen:

opbrengsten

  • omzet

periodetoerekeningstelsel 

kasstelsel

  • ontvangsten
  • opbrengsten
  • uitgaven
  • kosten

financiële opbrengsten en kosten

  • interestkosten
  • interestopbrengsten

bedrijfsresultaat

  • incidenteel resultaat

resultaat voor winstbelasting

resultaat na winstbelasting

  • vennootschapsbelasting
  • inkomstenbelasting

ondernemersinkomen/-beloning

  • ondernemersrisico
  • gewaardeerd loon
  • gederfde interest