De havo-methode bestaat uit de volgende lesbrieven:

  • Financiële Zelfredzaamheid
  • Bedrijf Starten
  • Onderneem-het-zelf
  • Personeelsbeleid en Interne Organisatie
  • Marktverovering
  • Financiering en Verslaggeving
  • Investeren
  • Het Resultaat
  • Circulair Ondernemen
  • Bedrijfseconomie@home
  • Rekenwonder
  • Boekhoudmodule

Het uitgangspunt bij alle lesbrieven is steeds een concrete context waardoor een leerling eerder een kritisch standpunt zal innemen bij bepaalde beslissingen van de directie, dan wanneer de lesbrieven zouden zijn opgebouwd volgens een wetenschappelijke indeling van de stof. Zo gaat ‘Bedrijf Starten’ over het oprichten van een meubelzaak, ‘Marktverovering’ over een fitnesscentrum en ‘Financiële Zelfredzaamheid’ over de keuzes waar twee studenten en hun familie mee te maken krijgen.

De volgorde van behandeling lesbrieven
Het is het raadzaam om te starten met ‘Financiële Zelfredzaamheid’ omdat die lesbrief het meest aansluit bij de belevingswereld van de leerlingen en een relatief lage moeilijkheidsgraad heeft. Maar beginnen met ‘Bedrijf starten’ is ook goed mogelijk. Met de lesbrief ‘Onderneem-het-zelf’ kunt u twee kanten op: of u laat de leerlingen de lesbrief helemaal aan het einde doen, immers dan hebben ze de kennis om een ondernemingsplan te schrijven; of de leerlingen beginnen met deze lesbrief en maken steeds een deel van de lesbrief, steeds wanneer leerlingen een lesbrief afgesloten hebben wordt de lesbrief weer uit de kast getrokken en voor een deel verder gemaakt. De lesbrief kan een goed startpunt zijn voor een profielwerkstuk.

De lesbrieven ‘Financiering en Verslaggeving’ en ‘Het Resultaat’ zijn als laatste lesbrieven bedoeld. De overige lesbrieven zijn min of meer vrij inzetbaar. Ze vereisen nauwelijks enige voorkennis waardoor de plaats van behandeling vrij is.

De plaats van de overige lesbrieven is vrij. Elke lesbrief staat op zichzelf en vereist nauwelijks enige voorkennis. Echter starten met bijvoorbeeld Personeelsbeleid en Interne Organisatie of Marktverovering is niet aan te raden. Wanneer u op 4 havo zou starten met Marktverovering dan krijgt de leerling een verkeerde indruk van wat van hem/haar verwacht wordt op het CE. Als u daarentegen start met Financiële Zelfredzaamheid of Bedrijf Starten dan heeft u (en de leerling) zo rond de herfstvakantie wel in de gaten of het CE haalbaar is. Zou u starten met Marktverovering en daarna met Financiële Zelfredzaamheid of Bedrijf Starten dan kunt u dat pas beoordelen rond de kerstvakantie en dan is een vakkenpakketwisseling bijna niet meer mogelijk.

Verder kunt u de volgende factoren een rol laten spelen bij het bepalen van de volgorde

  • afwisseling van theoretische lesbrieven en rekentechnische lesbrieven
  • het tijdstip waarop het SE moet worden afgerond, als dat bijvoorbeeld eind 4 havo is, dan dienen de SE-lesbrieven in 4 havo behandeld te worden
  • als u Het Rekenwonder heeft aangeschaft voor uw leerlingen, plaats deze lesbrief dan vrij vooraan dan kunnen de leerlingen de opgedane spreadsheetkennis meteen toepassen bij het maken van spreadsheetcases.

 

DE VERDELING VAN STUDIELASTUREN EN LESUREN OVER DE METHODE 1e en 2e druk schooljaar 2020-2021

HAVO
 CE/SE Lesbrieven Druk Studielasturen Lesuren¹
Financiële Zelfredzaamheid 2 CE/SE 38 28
Bedrijf Starten 1 CE/SE 49 39
Onderneem-het-zelf 1 CE/SE 20 17
Personeelsbeleid en Interne Organisatie 2 CE/SE 34 25
Marktverovering 2 CE/SE 22 16
Financiering en Verslaggeving 2 CE 42 28
Investeren 1 SE 7 5
Het Resultaat 1 CE 29 22
 Totaal (excl. keuzeonderwerpen)  241 180
 Keuzelesbrieven
Circulair Ondernemen 1 SE 10 6
Bedrijfseconomie@home 1 SE 9 8
Boekhoudmodule4) 3 SE (37) (40)
 Basisvaardigheden
 Het Rekenwonder 7 SE 6 5
 Totaal  266 199
 Niet ingevuld² 54 85)
 Totaal beschikbaar³ 320 207
  1. Studielasturen zijn uren van 60 minuten en lesuren zijn uren van 50 minuten.
  2. Betreft de uren van de studielast die niet ingevuld zijn en deze kunnen worden gereserveerd om extra lessen in te bouwen voor het geven van samenvattingen, extra uitleg, het bespreken van het laatste examen, het geven van extra ICT-opdrachten, het laten maken van een praktische opdracht, het meedoen aan managementgames.
  3. Bij het schatten van het totale aantal lesuren is verondersteld dat er 36 weken effectief les kan worden gegeven in 4 havo, 4 vwo en 5 vwo en 33 weken in de examenklassen, en dat voor Bedrijfseconomie 3 lesuren beschikbaar zijn in 4 en 5 havo, 2 lesuren in 4 vwo en 3 uur in 5 en 6 vwo.
  4. Deze module is zeer flexibel inzetbaar. Indien u alles behandelt, heeft u 40 lessen nodig. Als u echter alleen de boekhoudcyclus aan de orde stelt, bent u maar 20 lessen kwijt. Het is zelfs mogelijk om deze cyclus nog minder uitgebreid te behandelen, in dat geval bent u slechts 11 lessen kwijt.
  5. Er wordt verondersteld dat leerlingen alle cases en diagnostische toetsen maken, doen ze dat niet dan houden ze tijd over.

 

DE VERDELING VAN STUDIELASTUREN EN LESUREN OVER DE METHODE 1e druk schooljaar 2019-2020

HAVO
 CE/SE Lesbrieven Druk Studielasturen Lesuren¹
Financiële Zelfredzaamheid 1 CE/SE 40 31
Bedrijf Starten 1 CE/SE 49 39
Onderneem-het-zelf 1 CE/SE 20 17
Personeelsbeleid en Interne Organisatie 1 CE/SE 34 25
Marktverovering 1 CE/SE 23 17
Financiering en Verslaggeving 1 CE 44 31
Investeren 1 SE 7 5
Het Resultaat 1 CE 29 22
 Totaal (excl. keuzeonderwerpen)  246 187
 Keuzelesbrieven
Circulair Ondernemen 1 SE 10 6
Bedrijfseconomie@home 1 SE 9 8
Boekhoudmodule4) 3 SE (37) (40)
 Basisvaardigheden
 Het Rekenwonder 7 SE 6 5
 Totaal  271 206
 Niet ingevuld² 49 15)
 Totaal beschikbaar³ 320 207
  1. Studielasturen zijn uren van 60 minuten en lesuren zijn uren van 50 minuten.
  2. Betreft de uren van de studielast die niet ingevuld zijn en deze kunnen worden gereserveerd om extra lessen in te bouwen voor het geven van samenvattingen, extra uitleg, het bespreken van het laatste examen, het geven van extra ICT-opdrachten, het laten maken van een praktische opdracht, het meedoen aan managementgames.
  3. Bij het schatten van het totale aantal lesuren is verondersteld dat er 36 weken effectief les kan worden gegeven in 4 havo, 4 vwo en 5 vwo en 33 weken in de examenklassen, en dat voor Bedrijfseconomie 3 lesuren beschikbaar zijn in 4 en 5 havo, 2 lesuren in 4 vwo en 3 uur in 5 en 6 vwo.
  4. Deze module is zeer flexibel inzetbaar. Indien u alles behandelt, heeft u 40 lessen nodig. Als u echter alleen de boekhoudcyclus aan de orde stelt, bent u maar 20 lessen kwijt. Het is zelfs mogelijk om deze cyclus nog minder uitgebreid te behandelen, in dat geval bent u slechts 11 lessen kwijt.
  5. Er wordt verondersteld dat leerlingen alle cases en diagnostische toetsen maken, doen ze dat niet dan houden ze tijd over.

 

Cases

In alle lesbrieven komt u cases tegen. De cases treft u steeds aan op het eind van een hoofdstuk. Het gaat vaak om een opdracht waarbij leerlingen niet alleen hun kennis uit het desbetreffende hoofdstuk moeten toepassen maar ook de kennis en vaardigheden uit eerdere hoofdstukken en/of lesbrieven. Indien leerlingen voor een bepaalde case een (spreadsheet)model nodig hebben dan kunnen ze dat model downloaden van de website: www.uitgeverijstoffels.nl (leerling, cases) Hoe u omgaat met de cases, kunt u zelf bepalen. U kunt bijvoorbeeld:
– een case gebruiken als proefwerk;
– een case gebruiken als diagnostische toets;
– een case gebruiken als oefenopdracht;
– een case gebruiken als groepsopdracht;
– een case gebruiken als praktische opdracht (indien deze zich daarvoor leent);
– een case overslaan omdat u hem niet belangrijk vindt;
– een case overslaan en deze later gebruiken als de leerlingen wat meer bagage hebben;
– een case gebruiken als praktische opdracht die meetelt voor het schoolexamen als de case zich daarvoor leent.
Omdat de cases op vele manieren te gebruiken zijn is er voor gekozen om de uitwerkingen van de cases niet in de lesbrief maar in de docentenhandleiding op te nemen. Het is ook mogelijk om zelf als docent aan de slag te gaan en bepaalde cases om te bouwen tot een “nieuw” proefwerk, groepsopdracht of praktische opdracht. Dat is ook de reden waarom de tekst en de uitwerkingen van de cases op de docentenwebsite staan.

 

Centraal Examen Havo

Voor het Centraal Examen (CE) dienen de leerlingen de volgende lesbrieven te kennen:
Financiële Zelfredzaamheid (CE/SE)
Bedrijf Starten (CE/SE)
Onderneem-het-zelf (CE/SE)
Personeelsbeleid en Interne Organisatie (CE/SE)
Marktverovering (CE/SE)
Financiering en Verslaggeving (CE)
Het Resultaat (CE)

De lesbrieven Circulair Ondernemen, Investeren en Bedrijfseconomie@home worden niet gevraagd op het CE, de stof van deze lesbrieven dient getoetst te worden op het schoolexamen (SE). Hierbij heeft de docent een grote speelruimte omdat er alleen globale eindtermen zijn geformuleerd voor het SE. Wel heeft de SLO een mogelijke invulling van het SE geschreven: Handreiking Bedrijfseconomie. Bij de invulling van de SE-onderdelen heeft Uitgeverij Stoffels zich gebaseerd om deze handreiking. Voor meer informatie ga naar: http://handreikingschoolexamen.slo.nl/bedrijfseconomie-hv.

 

Examenprogramma Bedrijfseconomie havo

Het eindexamen

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Het examenprogramma bestaat uit de volgende domeinen:

  • Domein A Vaardigheden
  • Domein B Van persoon naar rechtspersoon
  • Domein C Interne organisatie en personeelsbeleid
  • Domein D Investeren en financieren
  • Domein E Marketing
  • Domein F Financieel beleid
  • Domein G Verslaggeving
  • Domein H Keuze-onderwerpen

 

Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de (sub)domeinen A, B, C2, D2, E2, F en G zoals hieronder nader uitgewerkt.

CvTE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast.

CvTE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

 

Het schoolexamen

Het schoolexamen heeft betrekking op domein A, B en:

  • de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft;
  • indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft;
  • indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

 

De examenstof:

Domein A: Vaardigheden

Algemene vaardigheden

Subdomein A1: Informatie-vaardigheden gebruiken

1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, interpreteren, selecteren en verwerken.

Subdomein A2: Communiceren

2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied.

Subdomein A3: Reflecteren op leren

3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.

Subdomein A4: Studie en beroep

4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze bedrijfseconomische en organisatorische kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.

Subdomein A5: Onderzoeken

5. De kandidaat kan in contexten onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten.

De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.

 

Vakspecifieke vaardigheden

Subdomein A6: Benaderingswijzen

6.De kandidaat kan relevante bedrijfseconomische en organisatorische aspecten van een probleem herkennen, zowel binnen een organisatie als in het persoonlijk leven.

7. De kandidaat kan bij de oplossing van een bedrijfseconomisch of organisatorisch probleem een bedrijfseconomische denkwijze gebruiken.

8. De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen een organisatie op het gebied van:

  • de interne organisatie en personeelsbeleid
  • de investeringen en financiering
  • het marketingbeleid
  • het financieel beheer
  • de verslaggeving de bedrijfseconomische en organisatorische dimensie vanuit het perspectief van het management toepassen en analyseren.

9. De kandidaat kan bedrijfseconomische en organisatorische perspectieven en daaruit voort-vloeiende belangen onderkennen van de diverse betrokkenen bij de organisatie.

10. De kandidaat kan:

  • bedrijfseconomische werkwijzen toepassen;
  • bedrijfseconomische begrippen gebruiken;
  • bedrijfseconomische grootheden gebruiken;
  • bedrijfseconomische relaties analyseren.

 

Domein B: Van persoon naar rechtspersoon

Subdomein B1: Persoonlijke financiële zelfredzaamheid

11. De kandidaat kan vraagstukken met persoonlijke financiële consequenties herkennen en (financieel) onderbouwde keuzes maken.

Subdomein B2: De oprichting van een eenmanszaak

12. De kandidaat kan het proces voor en rond de oprichting van een eenmanszaak beschrijven en in de rol van ondernemer toepassen.

Subdomein B3: Van eenmanszaak naar rechtspersoon

13. De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven.

Subdomein B4: Perspectief op de organisatie

14. De kandidaat kan de plaats van de organisatie in de maatschappij beschrijven.

 

Domein C: Interne organisatie en personeelsbeleid

Subdomein C1: Interne organisatie

15. De kandidaat kan de interne organisatie (inclusief de taken van het management en de stijlen van leiderschap) van een organisatie beschrijven en deze relateren aan de doelstelling en aard van de organisatie.

Subdomein C2: Personeelsbeleid

16. De kandidaat kan personeelsbeleid/HRM beschrijven en daarbij de relatie leggen met de doelstelling en de aard van de organisatie.

 

Domein D: Investeren en financieren

Subdomein D1: Investeren

17. De kandidaat kan bij een investeringsvraagstuk beschrijven welke gegevens relevant zijn, vaststellen of een investering economisch zinvol is en hierbij verschillende investeringsselectie-methoden toepassen en analyseren.

Subdomein D2: Financieren

18. De kandidaat kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt beschrijven.

19. De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen onderscheiden.

20. De kandidaat kan onderkennen welke risico’s financiering met vreemd vermogen met zich meebrengt.

 

Domein E: Marketing

Subdomein E1: Doel en organisatie van marketingactiviteiten

21. De kandidaat kan marketing beschrijven met het oog op de te onderscheiden doelgroepen.

Subdomein E2: Marketingbeleid

22. De kandidaat kan het marketingbeleid van een organisatie beschrijven.

 

Domein F: Financieel beleid

Subdomein F1: Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie

23. De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en verwerken tot financiële overzichten.

24. De kandidaat kan financiële en niet-financiële informatie onderscheiden en het belang van beide uitleggen voor het besturen van de organisatie.

Subdomein F2: Kosten- en winstvraagstukken

25. De kandidaat kan voor een dienstverlenende onderneming de verschillende kostensoorten onderscheiden, de winst bepalen en verschillen verklaren.

 

Domein G: Verslaggeving

26. De kandidaat kan de jaarrekening van een eenvoudige organisatie (zoals een MKB-bedrijf) interpreteren en uitleggen.

 

Domein H: Keuze-onderwerpen

 

SPECIFICATIE GLOBALE EINDTERMEN

De globale eindtermen van het examen zijn voor de domeinen die betrekking hebben op het centraal examen nader gespecificeerd door de CvTE. Deze gespecificeerde eindtermen treft u voor wat betreft domein A hier aan. De specificatie van de overige domeinen voor het CE staan bij de lesbrieven. Voor de globale eindtermen van het schoolexamen is er geen explicitering, wel is er een handreiking geschreven door de SLO waarin ideeën staan voor een mogelijke invulling van het schoolexamen. Scholen hebben dus veel vrijheid bij de invulling van het schoolexamen waarbij natuurlijk wel voldaan moet worden aan de globale eindtermen die vermeld staan bij de domeinen A, B, C1, D1, E1 en H. Het gebruik van ICT is in het nieuwe programma niet langer verplicht.
In de syllabus zijn de globale eindtermen van het CE geëxpliciteerd, daarbij is gebruik gemaakt van de beheersingsniveaus en handelingswerkwoorden.

Beheersingsniveau Bloom omschrijving Samenvattend/ overkoepelend handelingswerk- woord in gespecificeerde eindterm staat voor de handelingswerkwoorden
Memoriseren Ophalen van relevante kennis uit het geheugen en zowel mondeling, geschreven als grafische kunnen laten zien. Noemen

noemen, herkennen, aanwijzen, definiëren, vinden, kiezen, onderstrepen, invullen, citeren, arceren

 

Begrijpen De betekenis achterhalen van informatie, zowel mondeling, geschreven als grafische informatie. De betekenis kunnen verbinden met andere kennis, voorbeelden geven etc. Uitleggen verklaren, verhelderen, beschrijven, voorbeelden geven, toelichten, uitleggen, onderbouwen, aantonen
Toepassen Elementen uit ‘memoriseren’ en ‘begrijpen’ hanteren in nieuwe situaties; kiezen van de juiste  regels, schema’s, begrippen enz.

Berekenen

Opstellen

hanteren,  een overzicht geven, schatten, voorspellen, vormgeven vragen formuleren
Analyseren Materiaal/bronnen in stukjes verdelen en ontdekken hoe de stukjes gerelateerd zijn tot elkaar en tot en overall structuur Analyseren vergelijken, selecteren, indelen, kenmerken bepalen, determineren, structureren, ontleden
Evalueren Tot en afgewogen eindoordeel komen, hier een uitspraak over doen, een besluit nemen Beoordelen bekritiseren, testen, beoordelen, doorlichten, afwegen
Creëren Elementen samenvoegen tot een coherent geheel of een origineel product Adviseren rapporteren, hypothese opstellen, adviseren, ontwerpen, construeren, maken

Uitleggen impliceert noemen;

Berekenen/opstellen impliceert uitleggen en dus ook noemen;

Enz.

 

Specificatie van de eindtermen voor het CE

Het CE Havo 2020 is gebaseerd op de Syllabus CE 2020 Versie 4, juni 2018

Let op: het CE 2021 is gebaseerd op de syllabus CE 2021 Versie 2, juni 2019

De verschillen tussen de syllabus 2020 en 2021 zijn in de handleiding grijs gearceerd en op de website geel gearceerd. In de syllabus 2021 zijn enkele onderdelen dus geschrapt in vergelijking met de syllabus 2020, maar er zijn ook nieuwe onderdelen toegevoegd. Onderdelen die zijn doorgestreept hoeven leerlingen op het CE 2021 niet meer te kennen. De nieuwe toegevoegde onderdelen moeten ze in 2021 wel kennen.

 In de 2e druk van de lesbrieven zijn de nieuwe en de geschrapte onderdelen voor het CE 2021 verwerkt.

 

DOMEIN A: VAARDIGHEDEN

Domein A wordt in combinatie met domein B, C2, D2, E2, F en G in het CE getoetst.

 

Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken

1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, interpreteren, selecteren en verwerken.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat in gegeven (bedrijfseconomische) contexten relevante informatie moet kunnen analyseren en beoordelen.

In dat verband kan de kandidaat

1.1 in relatie tot een gegeven (onderzoeks)vraag informatie beoordelen en daarbij:

a. de informatiebehoefte noemen

b. beschikbare en relevante informatiebronnen analyseren

1.2 verworven en/of gegeven informatie vanuit een gegeven (onderzoeks)vraag analyseren en daarbij:

a. informatie beoordelen op bruikbaarheid, betrouwbaarheid en representativiteit

b. informatie analyseren (eventueel rekenkundig), mede met behulp van ICT.

 

 Subdomein A2: Communiceren

2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied.

 

Subdomein A3: Reflecteren op leren

3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.

 

Subdomein A4: Studie en beroep

4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze bedrijfseconomische en organisatorische kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.

 

Subdomein A5: Onderzoeken

5. De kandidaat kan in contexten onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.

Voor het centraal examen gaat het daarbij om het analyseren en adviseren op basis van de resultaten van een voorgestructureerd bedrijfseconomisch onderzoek.

In dat verband kan de kandidaat

5.1 verschillende typen (onderzoeks)vragen noemen en zelfstandig (onderzoeks)vragen opstellen en daarbij onderscheid maken tussen:

  • beschrijvende/beeldvormende (onderzoeks)vragen
  • analytisch/verklarende (onderzoeks)vragen
  • (onderzoeks)vragen met het oog op waardering/standpuntbepaling;

5.2 op basis van consistente redeneringen:

a. conclusies opstellen ten aanzien van een (onderzoeks)vraag en deze uitleggen.

b. een advies uitbrengen en dit uitleggen en daarbij:

  • onderscheid maken tussen
    • gegevens (data) en informatie
    • feiten en meningen
    • oorzaak en gevolg
    • probleem en oplossing
  • in het geding zijnde waarden noemen
  • eigen opvattingen analyseren
  • mogelijke consequenties van een standpunt beoordelen
  • een beargumenteerd standpunt opstellen

5.3 berekeningen maken met behulp van relevante rekenkundige en grafische vaardigheden, rekening houdend met:

a. verbale, grafische tabellarische en wiskundige/rekenkundige gegevens analyseren, mede met gebruikmaking van ICT.

b. de gegevens rekenkundig en/of grafisch uitleggen:

  • basisrekenvaardigheden in bedrijfseconomische vraagstukken zoals :
    1. rekenregels optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen
    2. positieve en negatieve getallen/breuken/decimalen
    3. procenten, promillen en percentages
    4. onderscheid procentuele verandering mutatie en procentpunt verandering
  • vergelijkingen, beschrijvende statistiek en grafieken in bedrijfseconomische vraagstukken zoals:
    1. werken met eerstegraadsvergelijkingen
    2. werken met assenstelsels (X en Y)
    3. waarden bepalen en grafieken tekenen en/of bewerken
    4. berekeningen maken op basis van grafieken
    5. indexcijfers
    6. diagrammen
    7. tabellen: rijen/kolommen
    8. machten
    9. gemiddelden: gewogen en ongewogen

 

Subdomein A6: Benaderingswijzen

6. De kandidaat kan relevante bedrijfseconomische en organisatorische aspecten van een probleem herkennen, zowel binnen een organisatie als in het persoonlijk leven.

Voor het centraal examen betekent dit het noemen van bedrijfseconomische en organisatorische aspecten van een probleem, zowel binnen een organisatie als in het persoonlijk leven.

 

7. De kandidaat kan bij de oplossing van een bedrijfseconomisch of organisatorisch probleem een bedrijfseconomische denkwijze gebruiken.

Voor het centraal examen betekent dit het opstellen van een bedrijfseconomische denkwijze bij de oplossing van een bedrijfseconomisch of organisatorisch probleem.

 

8. De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen een organisatie op het gebied van:

  • de interne organisatie en personeelsbeleid
  • de investeringen en financiering
  • het marketingbeleid
  • het financieel beleid
  • de verslaggeving

de bedrijfseconomische en organisatorische dimensie vanuit het perspectief van het management toepassen en analyseren.

Voor het centraal examen betekent dit het analyseren en beoordelen van de bedrijfseconomische en organisatorische dimensie van deze vraagstukken.

 

9. De kandidaat kan bedrijfseconomische en organisatorische perspectieven en daaruit voortvloeiende belangen onderkennen van de diverse betrokkenen bij de organisatie.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat deze perspectieven en belangen kan noemen.

In dat verband kan de kandidaat

9.1 bedrijfseconomische perspectieven noemen die de diverse betrokkenen bij de organisatie kunnen hebben;

9.2 bedrijfseconomische belangen noemen die uit de verschillende perspectieven kunnen voortvloeien.

 

10. De kandidaat kan:

  • bedrijfseconomische werkwijzen toepassen;
  • bedrijfseconomische begrippen gebruiken;
  • bedrijfseconomische grootheden gebruiken;
  • bedrijfseconomische relaties analyseren.

Voor het centraal examen gaat het daarbij om het opstellen van bedrijfseconomische werkwijzen, het uitleggen van bedrijfseconomische begrippen en grootheden en het analyseren van bedrijfseconomische relaties.