PERSONEELSBELEID EN INTERNE ORGANISATIE

les Maken door leerling les les les
1 opdr. 1.1 t/m 1.5 8 3.2 t/m case 3.1 15 5.1 t/m 5.5 22 6.5 D-toets 6 (1 t/m 15)
2 1.6 t/m D-toets 1 9 4.1 t/m 4.5 16 5.6 t/m 5.10 23 D-toets 6 (16 t/m 19), case 6.1
3 Case 1.1 10 4.6 t/m 4.10 17 D-toets 5.1 t/m 14 24 Case 6.2, 6.3
4 Case 1.1 11 4.11 t/m 4.14 18 D-toets 5 15 en 16, case 5.2 25 Case 6.3, 6.4
5 2.1 t/m 2.5 12 D-toets 4 19 Case 5.1
6 2.6, D-toets 1 t/m 8 13 Case 4.1 20 Case 5.1
7 D-toets 9 t/m 13, case 2.1, opdr. 3.1 14 Case 3.1 21 6.1 t/m 6.4

 

Studielast Personeelsbeleid en Interne Organisatie Havo

Doorwerken van de lesbrief 25 × 50/60    20 uur en 50 minuten
Studeren¹    10 uur
Proefwerk maken    1 uur en 40 minuten
Bespreken proefwerken    1 uur en 40 minuten
Extra vaardigheidsopdrachten    p.m.
Totaal   34 uur

Eindtermen Personeelsbeleid en Interne Organisatie

Subdomein B3: Van eenmanszaak naar rechtspersoon

De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat de verschillende rechtsvormen kan uitleggen.

In dat verband kan de kandidaat

13.1 in de rol van ondernemer uitleggen wat een geschikte rechtsvorm voor de eigen organisatie is.

In dat verband kan de kandidaat

13.1.1   het begrip rechtsvorm noemen.

13.1.2   het verschil tussen natuurlijk persoon en rechtspersoon uitleggen.

13.1.3   de kenmerken van de rechtsvormen, stichting en vereniging noemen met betrekking tot continuïteit, financiering, juridische aansprakelijkheid, belastingen, leiding, besluitvorming en zeggenschap.

13.1.4   de keuze voor een bepaalde rechtsvorm uitleggen.

13.1.5   de belangrijkste bevoegdheden van de organen binnen een organisatie: directie, bestuur en algemene ledenvergadering noemen.

Belangrijkste begrippen

rechtsvorm

  • natuurlijk persoon
  • rechtspersoon
  • stichting
  • vereniging

organen binnen organisatie

  • directie
  • bestuur
  • algemene ledenvergadering

Subdomein B3 13.1.4 gekoppeld aan D2 19

Subdomein B4: Perspectief op de organisatie

De kandidaat kan de plaats van de organisatie in de maatschappij beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat de rol en de plaats van de organisatie in de maatschappij kan uitleggen.

In dat verband kan de kandidaat

14.1    de verschillende indelingscriteria voor een organisatie noemen.

14.1.1   de absolute omvang en de relatieve omvang van een organisatie uitleggen.

14.1.2   het onderscheid uitleggen tussen een organisatie met een commerciële doelstelling en een organisatie met een niet-commerciële doelstelling.

14.2    het bestaansrecht van een organisatie uitleggen.

14.2.1    uitleggen in welke maatschappelijke behoeften de organisatie voorziet.

14.2.2   uitleggen welke kansen en bedreigingen vanuit de maatschappij op een organisatie afkomen.

Belangrijkste begrippen

absolute omvang

relatieve omvang

  • marktaandeel

doelstelling

  • commercieel
  • niet-commercieel

maatschappelijke behoeften

  • product of dienst
  • werkgelegenheid
  • innovatie
  • belastingopbrengsten
  • inkomen

Subdomein B4 14.1.1 gekoppeld aan E2 22.2

Subdomein B4 14.2.2 gekoppeld aan F1 24

Domein C: Interne organisatie en personeelsbeleid

De kandidaat kan de interne organisatie van een organisatie beschrijven en deze relateren aan de doelstelling en aard van de organisatie. Hij kan personeelsbeleid beschrijven en daarbij de relatie leggen met de doelstelling en de aard van de organisatie.

Subdomein C2: Personeelsbeleid

16. De kandidaat kan personeelsbeleid/HRM beschrijven en daarbij de relatie leggen met de doelstelling en de aard van de organisatie.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat het personeelsbeleid van een organisatie, met behulp van concrete voorbeelden, kan uitleggen wat de relatie is met de doelstelling en de aard van de organisatie (inclusief de relevante wet- en regelgeving).

In dat verband kan de kandidaat

16.1    de verschillende vormen van een arbeidsrelatie voor een organisatie noemen.

16.2    uitleggen dat het personeel tot het human capital van de organisatie hoort.

16.3    de wettelijke eisen noemen opdat er sprake is van een individuele arbeidsovereenkomst.

16.4    de verschillen tussen een ZZP-overeenkomst en een individuele arbeidsovereenkomst uitleggen.

16.5    de belangrijkste vormen van een individuele arbeidsovereenkomst noemen.

16.6    de verschillen tussen een cao en individuele arbeidsovereenkomst noemen.

16.7    de gevolgen van wetgeving met betrekking tot ontslagrecht en Arbo voor de organisatie uitleggen.

16.8    de bevoegdheden van de ondernemingsraad en van de vakbond noemen en de gevolgen ervan voor de organisatie uitleggen.

16.9    beloningsvormen noemen.

Belangrijkste begrippen

Arbeidsrelatie

  • individuele arbeidsovereenkomst
  • zzp

voorwaarden individuele arbeidsovereenkomst

  • gezagsverhouding
  • arbeidsverplichting
  • loon

vormen individuele arbeidsovereenkomst

  • voor onbepaalde tijd
  • voor bepaalde tijd
  • afroep
  • nul-uren

wetgeving

  • ontslagrecht
  • Arbo wetgeving

personeelsvertegenwoordiging

  • ondernemingsraad
  • vakbond

beloningsvormen

  • in geld
  • in aandelen
  • carrièreperspectief
  • mogelijk tot professionele ontwikkeling