Lesbrieven Havo     
Op dit onderdeel van de site vindt u de informatie over:
→ de havo-methode
→ de volgorde van behandeling van de lesbrieven
→ de verdeling van de studielasturen over de gehele methode
→ praktische opdrachten en handelingsdeel
→ cases
→ centraal examen havo
→ het examenprogramma havo
→ verschillen examenprogramma oude en nieuwe stijl

De havo-methode bestaat uit de volgende lesbrieven:
Stichting en Vereniging  havo
De Eenmanszaak Deel 1 havo
De Eenmanszaak Deel 2 havo
De Naamloze Vennootschap havo
Organisatie & Personeel havo
Marketing havo
Het Rekenwonder havo/vwo
Boekhoudmodule havo/vwo

De Stichting & Vereniging gaat over een in werkelijkheid bestaande kanovereniging. De Eenmanszaak vertelt het verhaal van twee jonge mensen die een meubelzaak oprichten. In de N.V. komt de jaarrekening van commerciële organisaties aan de orde. Bij Organisatie & Personeel worden leerlingen uitgedaagd om via cases greep te krijgen op de inhoud van de stof. Marketing probeert met zo concreet mogelijk materiaal leerlingen inzicht te verschaffen in de wereld van de marketing. Het uitgangspunt bij alle lesbrieven is dus steeds een concrete situatie waardoor een leerling eerder een kritisch standpunt zal innemen bij bepaalde beslissingen van de directie of  het bestuur dan wanneer de lesbrieven zouden zijn opgebouwd volgens een wetenschappelijke indeling van de stof.
Steeds wordt geprobeerd om de leerling te betrekken bij de problemen die spelen in commerciële en niet-commerciële organisaties en de leerling stelling te laten nemen.

De volgorde van behandeling lesbrieven
Wij raden u aan om met de lesbrief Stichting & Vereniging te starten. Deze lesbrief brengt de leerling stap voor stap bij wat een balans is, hoe deze kan veranderen, wat het verschil is tussen ontvangsten en baten en tussen uitgaven en lasten, wat het verband is tussen een beginbalans, een staat van baten en lasten, een staat van ontvangsten en uitgaven en een eindbalans. In De Eenmanszaak Deel 1 komt deze stof ook aan de orde maar worden alle stappen niet zo expliciet uitgelegd als in de Stichting & Vereniging. Starten met De Eenmanszaak Deel 1 is dus wel mogelijk maar het lijkt ons beter om te starten met de Stichting & Vereniging. De volgorde De eenmanszaak Deel 1 en Deel 2 is dwingend. Wat betreft de CE-lesbrieven is de NV bedoeld als afsluitende lesbrief.
De plaats van de SE-lesbrieven is vrij. Elke SE-lesbrief staat op zichzelf en vereist nauwelijks enige voorkennis. Echter starten met Organisatie & Personeel en/of met Marketing is niet aan te raden, omdat beide lesbrieven theoretisch van aard zijn en er nauwelijks rekentechnische onderwerpen aan bod komen terwijl het CE bijna volledig bestaat uit rekentechnische onderwerpen. Wanneer u op 4 havo zou starten met Organisatie & Personeel en/of met Marketing dan krijgt de leerling een verkeerde indruk van wat van hem/haar verwacht wordt op het CE. Als u daarentegen start met de Stichting & Vereniging of De Eenmanszaak Deel 1 dan heeft u (en de leerling) zo rond de herfstvakantie wel in de gaten of het CE haalbaar is. Zou u starten met Organisatie & Personeel en daarna met de Stichting & Vereniging dan kunt u dat pas beoordelen rond de kerstvakantie en dan is een vakkenpakketwisseling bijna niet meer mogelijk.

Verder kunt u de volgende factoren een rol laten spelen bij het bepalen van de volgorde
→ afwisseling van theoretische lesbrieven (SE) en rekentechnische lesbrieven (CE)
→ het tijdstip waarop het SE moet worden afgerond, als dat bijvoorbeeld eind 4 havo is, dan dienen de SE-lesbrieven in 4 havo behandeld te worden
→ het tijdstip waarop de praktische opdrachten afgerond moeten worden. Indien uw school bijvoorbeeld alle praktische opdrachten wil afronden in het voorexamenjaar en   u  hebt een praktische opdracht die gekoppeld is aan De Eenmanszaak Deel 1.

Bij de volgorde van behandeling zijn dus heel wat combinaties mogelijk. Om er enkele te noemen:
S&V, O&P, Eenmanszaak D1, Marketing, Eenmanszaak D2, NV
S&V, O&P, Eenmanszaak D1, Marketing, Eenmanszaak D2, NV
S&V, Eenmanszaak D1, O&P, Marketing, Eenmanszaak D2, NV
S&V, O&P, Marketing, Eenmanszaak D1, Eenmanszaak D2, NV
S&V, Eenmanszaak D1, Eenmanszaak D2, NV, O&P, Marketing,
Eenmanszaak D1, O&P, S&V, Marketing, Eenmanszaak D2, NV
ICT neemt in het nieuwe SE een prominente plaats in en u zult ICT dan ook moeten toetsen. In de methode is ICT opgenomen in de cases. Het is daarom aan te raden om in het begin van 4 havo de lesbrief Het Rekenwonder te behandelen. Die lesbrief bevat een cursus waarmee leerlingen zich de basisvaardigheden in het werken met een spreadsheet eigen kunnen maken. Bovendien is er een hoofdstuk over de grafische rekenmachine (TI en Casio) opgenomen. De lesbrief zou bijvoorbeeld ingepland kunnen worden aan het eind van de Stichting &Vereniging voordat leerlingen case 7 maken.

De verdeling van de studielasturen over de gehele methode

HAVO-METHODE Studielasturen
       Lesuren¹eeeee
Stichting en Vereniging havo 49 39
De Eenmanszaak deel 1 havo 61 50
De Eenmanszaak deel 2 havo 32 22
De Naamloze Vennootschap havo 50 38
Organisatie en Personeel havo 36 27
Marketing havo 28 20
Het Rekenwonder havo/vwo 6 5
SubTotaal 262 201
Niet ingevuld2 58 6
Totaal beschikbaar3
320 207
Facultatief Boekhoudmethode4 37 40

1) Studielasturen zijn uren van 60 minuten en lesuren zijn uren van 50 minuten.
2) Betreft de uren van de studielast die niet ingevuld zijn en deze kunnen worden gereserveerd voor buitenschoolse- en begeleidingsactiviteiten maar het is natuurlijk ook mogelijk om extra lessen in te bouwen voor het geven van samenvattingen of het bespreken van het laatste examen, het geven van extra ICT-opdrachten, het maken van een praktische opdracht, het meedoen aan managementgames.
3) Bij het schatten van het totale aantal lesuren is verondersteld dat er 36 weken effectief les kan worden gegeven in 4 havo en 33 weken in de examenklassen, en dat voor M&O 3 lesuren beschikbaar zijn in 4 en 5 havo.
4) Deze module is zeer flexibel inzetbaar. Indien u alles behandelt heeft u 40 lessen nodig. Als u echter alleen de boekhoudcyclus aan de orde stelt, bent u maar 20 lessen kwijt. Het is zelfs mogelijk om deze cyclus nog minder uitgebreid te behandelen, in dat geval bent u slechts 11 lessen kwijt.

Praktische opdrachten en handelingsdeel
In het nieuwe examenprogramma zijn praktische opdrachten niet langer verplicht. De school kan het schoolexamen naar eigen inzicht inrichten. Dat neemt natuurlijk niet weg dat een of meer praktische opdrachten een zeer zinvolle invulling vormen van een deel van het schoolexamenprogramma. Indien u de leerlingen een praktische opdracht laat uitvoeren dan is het zinvol om de eindtermen die betrekking hebben op vaardigheden in de gaten te houden.
Naast praktische opdrachten die meetellen voor het schoolexamen kunnen de leerlingen nog andere praktische opdrachten doen die niet meetellen voor het schoolexamen en bijvoorbeeld dienen om te oefenen of om te voldoen aan de vele ICT-eindtermen uit het examenprogramma.
Het doel van de praktische opdrachten is dat leerlingen niet alleen hun kennis, inzicht en vaardigheden toepassen bij praktische probleemstellingen maar ook nieuwe kennis, inzicht en vaardigheden verwerven. Door het uitvoeren van de praktische opdracht worden de vaardigheden tevens getoetst. Het uitgangspunt voor de praktische opdrachten dient steeds zo te zijn dat de leerling gebruik moet maken van de examenstof uit de domeinen en dat hij werkwijzen hanteert die voor de bedrijfseconomie specifiek zijn (zoals het denken in termen van kosten). Bij een praktische opdracht dient de leerling een antwoord te geven op een onderzoeksvraag en/of een standpunt in te nemen welke hij dient te onderbouwen met argumenten.

Veel informatie- en ICT-vaardigheden komen bij het uitvoeren van de praktische opdrachten aan bod.
Er zijn vier typen opdrachten mogelijk:
→ het verkennen, aanpakken en oplossen van een probleemsituatie uit de praktijk van een beroep of van het dagelijks leven (zoals bijvoorbeeld de keuze van een hypothecaire lening of het kiezen van de juiste rechtsvorm voor de uitoefening van een bepaald vrij beroep);
→ het verrichten van een literatuurstudie (zo’n studie zal zich moeten beperken tot artikelen omdat er voor het lezen van meer dan een boek geen ruimte lijkt te zijn);
→ het uitvoeren van een opdracht waarbij informatie en communicatietechnologie (ICT) functioneel moet worden gebruikt (zoals bijvoorbeeld het ontwerpen van een spreadsheet voor de begroting van een onderneming);
→ een andersoortige opdracht.

De minimumomvang van een praktische opdracht zal ergens rond de 4 uur liggen omdat de leerlingen het verrichte werk moeten presenteren en bovendien (indien van toepassing) het doorlopen proces dienen te documenteren. Het maken (en het eventueel houden) van een presentatie en het documenteren slokken een groot deel van de beschikbare studielast op.
De presentatie van het verrichte werk kan op één van de volgende wijzen plaats vinden:
●  een geschreven verslag (onderzoeksverslag, verhalend verslag, recensie, verslag van een enquête of weergave van een interview);
●  een essay of artikel (uiteenzetting, beschouwing of betoog);
●  een mondelinge voordracht (uiteenzetting, beschouwing of betoog, forumdiscussie);
●  een reeks stellingen met onderbouwing;
●  een posterpresentatie met toelichting;
●  een presentatie met gebruik van media (audio, video, ICT).
Bij een praktische opdracht van 4 uur dient u bijvoorbeeld te denken aan een probleem waarbij de leerling gebruik maakt van een spreadsheet. De probleemstelling hoeft de leerling dan niet zelf te formuleren. Wel moet de leerling een presentatie van het verrichte werk maken.
Bij het documenteren van het doorlopen proces dient de leerling aan te geven wat hij allemaal gedaan heeft tijdens het uitvoeren van de praktische opdracht. Hij dient, indien van toepassing, iets te vertellen over de keuze van zijn onderwerp, de probleemstelling, wat hij gedaan heeft, waar hij gebruik van gemaakt heeft en dergelijke. Voor de docent lijkt het raadzaam om de leerling ook te vragen om de tijd op te schrijven die hij kwijt is geweest aan de diverse onderdelen van zijn opdracht. Zodat u in de toekomst een reële schatting kunt maken van de studielast van bepaalde opdrachten.
De beoordelingscriteria dient u het liefst vooraf aan de leerling bekend te maken. Voor hoeveel procent de praktische opdrachten mee tellen in het cijfer van het schoolexamen kunt u zelf bepalen.
Het gebruik van ICT-toepassingen was in het oude examenprogramma optioneel op die onderdelen waar de school (nog) niet beschikte over voldoende en adequate apparatuur en programmatuur. In het nieuwe examenprogramma zijn ICT-toepassingen niet langer optioneel.
Het handelingsdeel uit het oude examenprogramma is geschrapt en bestond uit een aantal opdrachten waarbij de leerling zich oriënteerde op studie en beroep en waarbij hij of zij met name zou moeten kijken naar beroepen of opleidingen waarbij bedrijfseconomie een rol speelt. Om toch wat specifieke aandacht te besteden aan oriëntatie op studie en beroep is in de lesbrief Stichting & Vereniging een beroepencase opgenomen
Over Cases
In alle lesbrieven komt u cases tegen. De cases treft u steeds aan op het eind van een hoofdstuk. Het gaat vaak om een opdracht waarbij leerlingen niet alleen hun kennis uit het desbetreffende hoofdstuk moeten toepassen maar ook de kennis en vaardigheden uit eerdere hoofdstukken en/of lesbrieven.
Indien leerlingen voor een bepaalde case een (spreadsheet)model nodig hebben dan kunnen ze dat model downloaden van de website: www.uitgeverijstoffels.nl (leerling, cases)
Hoe u omgaat met de cases, kunt u zelf bepalen. U kunt bijvoorbeeld:
– een case gebruiken als proefwerk;
– een case gebruiken als diagnostische toets;
– een case gebruiken als oefenopdracht;
– een case gebruiken als groepsopdracht;
– een case gebruiken als praktische opdracht (indien deze zich daarvoor leent);
– een case overslaan omdat u hem niet belangrijk vindt;
– een case overslaan en deze later gebruiken als de leerlingen wat meer bagage hebben;
– een case gebruiken als praktische opdracht die meetelt voor het schoolexamen als de case zich daarvoor leent.
Omdat de cases op vele manieren te gebruiken zijn is er voor gekozen om de uitwerkingen van de cases niet in de lesbrief maar in de docentenhandleiding op te nemen.
Het is ook mogelijk om zelf als docent aan de slag te gaan en bepaalde cases om te bouwen tot een “nieuw” proefwerk, groepsopdracht of praktische opdracht. Dat is ook de reden waarom de tekst en de uitwerkingen van de cases op de beveiligde website staan.
Centraal Examen Havo
Voor het Centraal Examen (CE) dienen de leerlingen de volgende lesbrieven te kennen:
Stichting & Vereniging
Eenmanszaak Deel 1
Eenmanszaak Deel 2
Naamloze Vennootschap
De lesbrieven Marketing en Organisatie & Personeel worden niet gevraagd op het CE, de stof van deze lesbrieven dient getoetst te worden op het schoolexamen (SE). Hierbij heeft de docent een grote speelruimte omdat er alleen globale eindtermen zijn geformuleerd voor het SE.
Naar ons idee is het centraal examen wat rekentechnischer van aard geworden omdat bijna alle theoretische onderwerpen (marketing, organisatie en personeel) naar het schoolexamen zijn verhuisd. De weinige theoretische onderwerpen die zijn overgebleven, zoals de rechtsvormen, zullen leerlingen dus zeer goed moeten beheersen. Het ligt immers voor de hand dat daar veel vragen over gesteld zullen worden om het CE niet helemaal uit rekenvragen te laten bestaan. Om die reden hebben wij destijds gepleit om de stof van De Eenmanszaak Deel 2 te verhuizen naar het SE en dan bijvoorbeeld het onderwerp Marketing te handhaven.
Het EXAMENPROGRAMMA HAVO
Het examenprogramma is met ingang van 2007 geformuleerd in globale eindtermen. De eindtermen die betrekking hebben op het centraal examen zijn nader uitgewerkt (geëxpliciteerd) in de syllabus centraal examen M&O HAVO. Het officiële examenprogramma en de explicitering van domein A treft u hier aan. De explicitering van de overige domeinen van het CE treft u aan bij de lesbrieven.
Denk eraan dat de domeinen C, E en G (CE) alleen maar op het SE mogen worden getoetst indien het bevoegd gezag daar toestemming voor geeft.
Syllabus centraal examen 2011
Voor het centraal examen 2011 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd in de uitwerking van het examenprogramma (syllabus).  Zie: http://www.examenblad.nl
Toegevoegd zijn de eindtermen:

1. C1 8.3 De rechtsvorm de openbare vennootschap.
2. C1 8.5 Voor- en nadelen van de genoemde rechtsvormen (vereniging, stichting, eenmanszaak, vof, bv en nv) m.b.t. de belastingen beschrijven.
3. C2 9.29 De verschillende vormen van aandelenvermogen: gewoon aandelenvermogen en preferent aandelenvermogen noemen.
4. C2 9.30 Voor en nadelen van gewoon aandelenvermogen noemen ten opzichte van preferent.
5. C2 9.31 Het begrip intrinsieke waarde per aandeel noemen en berekenen.
6. C2 9.32 De begrippen cashdividend en stockdividend noemen en berekenen.
7. C2 9.33 Het dividendpercentage of het dividendbedrag per aandeel van cashdividend en stockdividend berekenen.
8. C2 9.34 Voordelen en nadelen noemen van een uitkering van stockdividend ten opzichte van cashdividend, voor de onderneming en aandeelhouders.
9. G 16.14 Rentabiliteitsgetallen: interestkosten van het (gemiddelde) vreemde vermogen, hefboomwerking.
10. G 16.14 Beleggingskengetallen: dividendrendement, dividend per aandeel/koers per aandeel.

Gevolgen voor de methode. De openbare vennootschap bestaat nog niet. Punt 2 zit al in de methode. Ook punt 9 zit al deels in de methode. De hefboomwerking zal alleen rekentechnisch wat verder worden uitgewerkt. Binnenkort zal een aanvulling worden gemaakt op de methode, zodra deze gereed is krijgen de scholen bericht.
Komend schooljaar zal als gevolg hiervan een nieuwe druk verschijnen van De NV Havo.

EXAMENPROGRAMMA
Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen.

Domein A Vaardigheden
Domein B Interne organisatie en personeelsbeleid
Domein C Financiering van activiteiten
Domein D Marketingbeleid
Domein E Financieel beleid
Domein F Informatievoorziening met behulp van ICT
Domein G Externe financiële verslaggeving
Het centraal examen heeft betrekking op de domeinen C, E en G in combinatie met domein A.
Het schoolexamen heeft betrekking op domein A en :
→ ten minste de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft;
→ indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft;
→ indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

DOMEIN A: VAARDIGHEDEN

Subdomein A1: Economische aspecten van vraagstukken binnen organisaties
1. De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen commerciële en niet-commerciële organisaties de economische dimensie vanuit het perspectief van het management verklaren.
Subdomein 2: Economische instrumenten
2. De kandidaat kan:
• economische werkwijzen toepassen;
• economische begrippen verklaren;
• economische grootheden hanteren;
• economische relaties verklaren.
Subdomein A3: Economische perspectieven en belangen
3. De kandidaat kan economische perspectieven en daaruit voortvloeiende belangen onderkennen van de diverse betrokkenen bij de organisatie.
Subdomein A4: informatievaardigheden
4. De kandidaat kan:
• verschillende typen (onderzoeks-)vragen herkennen en zelfstandig (onderzoeks-) vragen formuleren;
• in relatie tot een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks-) vraag informatie verwerven;
• informatie vanuit een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks-) vraag selecteren en ordenen;
• verbale, grafische, tabellarische en wiskundige/rekenkundige gegevens vertalen, mede met gebruikmaking van ICT;
• de resultaten van een leeractiviteit overdragen aan anderen.
Subdomein A5: Strategische vaardigheden
5. De kandidaat kan:
• verschillende typen organisaties identificeren;
• modellen hanteren die op deze typen organisaties betrekking hebben;
• met behulp van deze modellen vraagstukken binnen deze organisaties stapsgewijs oplossen.
Subdomein A6: Oriëntatie op studie en beroep
6. De kandidaat kan informatie inwinnen over vervolgopleidingen waarin management en organisatie een rol speelt en nagaan in hoeverre hij capaciteiten en interesses bezit die daarop aansluiten.
DOMEIN B: INTERNE ORGANISATIE EN PERSONEELSBELEID
Subdomein B1: Interne organisatie
7. De kandidaat kan de verschillende rechtsvormen beschrijven die commerciële en niet-commerciële organisaties kunnen kiezen, en verklaren waarom de organisatie voor een bepaalde rechtsvorm kiest.
Subdomein B2: Personeelsbeleid
8. • analyseren en verklaren waarom een organisatie bij het selecteren van personeel grote waarde hecht aan de economische voordelen en nadelen die de organisatie heeft van nieuwe personeelsleden;
• verklaren waarom de overheid via wetgeving of andere maatregelen tracht de positie van bepaalde sociale groeperingen op de arbeidsmarkt te beïnvloeden.
DOMEIN C: FINANCIERING VAN ACTIVITEITEN
Subdomein C1: Rechtsvormen
9. De kandidaat kan de verschillende rechtsvormen beschrijven die commerciële en niet-commerciële organisaties kunnen kiezen en verklaren waarom de organisatie voor een bepaalde rechtsvorm kiest.
Subdomein C2: Aantrekken van geld
10. De kandidaat kan:
• de werking van de vermogensmarkt beschrijven vanuit het perspectief van particulieren, commercieel organisaties en niet-commerciële organisaties;
• verklaren welke mogelijkheden, beperkingen en redenen er zijn voor particulieren, commerciële organisaties en niet-commerciële organisaties voor het aantrekken van vermogen;
• de keuze voor het aantrekken van het vermogen cijfermatig ondersteunen.
DOMEIN D: MARKETINGBELEID
Subdomein D1: Marketing van niet-commerciële organisaties
11. De kandidaat kan:
• verklaren wat het belang van marketing is voor niet-commerciële organisaties en welke principes daarbij van belang zijn;
• de mogelijke marketingdoelstellingen her kennen en de relatie beschrijven tussen de marketingdoelstellingen, de doelstelling van de organisatie en de belangen van de consument.
Subdomein D2: Marketing van commerciële organisaties
12. De kandidaat kan:
• de mogelijke marketingdoelstellingen en de marketinginstrumenten herkennen en de relatie verklaren tussen de marketingdoelstellingen en de doelstelling van de organisatie;
• verklaren wat het belang van marketing is voor commercieel organisaties, beschrijven hoe een commerciële organisatie informatie kan verzamelen voor de vasstelling van het marketingbeleid en voor de evaluatie van de ingezette instrumenten;
• de kostenconsequenties berekenen van het inzetten van marketinginstrumenten op basis van verstrekte gegevens.
DOMEIN E: FINANCIEEL BELEID
Subdomein E1: Financieel beleid in niet-commerciële organisaties
13. De kandidaat kan op basis van algemene modellen een overzicht van inkomsten en uitgaven herleiden tot een staat van baten en lasten (en vice versa).
Subdomein E2: Financieel beleid in commerciële organisaties: handelsondernemingen
14. De kandidaat kan:
• op basis van algemene modellen de verkoopprijs berekenen;
• de uitgaven en ontvangsten herleiden tot kosten en opbrengsten, een liquiditeitsbegroting en de voorcalculatorische en de nacalculatorische resultatenrekening opstellen en de samenhang verklaren;
• berekeningen uitvoeren die gericht zijn op de herleiding of vaststelling van data van een algemeen model voor de interne verslaggeving.
DOMEIN F: INFORMATIEVOORZIENING MET BEHULP VAN ICT
Subdomein F1: Informatiestromen in organisaties
15.  De kandidaat kan verklaren welke informatie van belang is voor een organisatie om haar bedrijfsvoering zo goed mogelijk uit te voeren en hoe met behulp van ICT de kwaliteit van de informatievoorziening verbeterd kan worden.
Subdomein F2: Toepassing van computerprogramma’s in het kader van informatievoorziening van organisaties
16. De kandidaat kan eenvoudige toepassingen van bestaande computerprogramma’s aanwenden ten behoeve van de informatievoorziening van organisaties.
DOMEIN G: EXTERNE FINANCIËLE VERSLAGGEVING
17. De kandidaat kan:
• de begroting en de jaarrekening van commercieel en niet-commerciële organisaties verklaren, zoals deze worden voorgelegd aan medezeggenschapsraden, ondernemingsraden en leden- of aandeelhoudersvergaderingen;
• een balans en de resultatenrekening voor het externe verslag opstellen en uit potentiele data de relevante grootheden kiezen.
SPECIFICATIE GLOBALE EINDTERMEN
De globale eindtermen van het examen zijn voor de domeinen die betrekking hebben op het centraal examen nader gespecificeerd door de CEVO. Deze gespecificeerde eindtermen treft u voor wat betreft domein A hier aan. De specificatie van de overige domeinen voor het CE staan bij de lesbrieven. Voor de globale eindtermen van het schoolexamen is er geen explicitering, wel is er een handreiking geschreven door de SLO waarin ideeën staan voor een mogelijke invulling van het schoolexamen. Scholen hebben dus veel vrijheid bij de invulling van het schoolexamen waarbij natuurlijk wel voldaan moet worden aan de eindtermen die vermeld staan bij de domeinen A, B, D en F. Het gebruik van ICT is in het nieuwe programma verplicht gesteld.
Alle uitsluitingen voor het centraal examen in het oude programma zijn in het nieuwe programma geschrapt. Dit betekent dat de niet-commerciële organisaties weer tot de stof van het centraal examen behoren.
Betekenis handelingswerkwoorden
Noemen Het opsommen van namen, begrippen, definities, voorbeelden e.d. waarbij veelal met een of enkele woorden kan worden volstaan.
Herkennen Het identificeren van namen, begrippen, situaties, voorbeelden e.d. in een gegeven context.
Beschrijven Het verbaal, grafisch, tabellarisch of wiskundig/rekenkundig weergeven van een situatie of proces zonder dat er sprake hoeft te zijn van een redenering.
Verklaren Het beredeneren of wiskundig/rekenkundig weergeven van (causale) verbanden waarbij er sprake is van een of meerdere (denk)stappen die in de juiste volgorde moeten worden gepresenteerd. Het gaat hierbij in de regel om (algemeen erkende) verbanden zoals die ook in de media naar voren komen.
Herkennen impliceert noemen;
Beschrijven impliceert herkennen en dus ook noemen;
Verklaren impliceert beschrijven en dus ook herkennen en noemen.
Berekenen Het toepassen van rekenregels en algoritmen alsmede het presenteren van de resultaten.
Herleiden op Beredeneren hoe een begrip (of grootheid) stap voor stap is te transformeren in een ander(e) begrip (of grootheid).
Uitsplitsen Conceptueel en getalsmatig uiteen halen van een grootheid zodat de samenstellende bestanddelen expliciet vorm krijgen.
Toepassen Tot uitdrukking brengen in een berekening.
SPECIFICATIE VAN DE GLOBALE EINDTERMEN VAN DOMEIN A
DOMEIN A: VAARDIGHEDEN EN WERKWIJZEN
Subdomein A1: Economische aspecten van vraagstukken binnen organisaties
De kandidaat kan
A1  8.1 bij veel voorkomende vraagstukken binnen commerciële en niet-commerciële organisaties op het gebied van de interne organisatie, de financiering van activiteiten, het marketingbeleid, het financiële beleid, de informatievoorziening met met behulp van ICT en de externe financiële verslaggeving, de economische dimensie vanuit het perspectief van het management analyseren.
Subdomein A2: Economische instrumenten
De kandidaat kan
A2  8.2 • economische werkwijzen toepassen;
• economische begrippen hanteren;
• economische grootheden verklaren;
• economische relaties analyseren.
Subdomein A3: Economische perspectieven en belangen
De kandidaat kan
A3  8.3 economische perspectieven onderkennen die de diverse betrokkenen bij de organisatie kunnen hebben.
A3  8.4 economische belangen onderkennen die uit de verschillende perspectieven kunnen voortvloeien.
Subdomein A4: Informatievaardigheden
De kandidaat kan
A4  8.5 verschillende typen (onderzoeks-)vragen herkennen en zelfstandig vragen formuleren en daarbij onderscheid maken tussen:
• beschrijvende/beeldvormende (onderzoeks-)vragen;
• analytisch/verklarende (onderzoeks-)vragen;
• (onderzoeks-)vragen met het oog op waardering/standpuntbepaling.
 A4  8.6 in relatie tot een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks-)vraag informatie verwerven en daarbij:
• de informatiebehoefte vaststellen;
• beschikbare informatiebronnen selecteren;
• relevante informatiebronnen selecteren;
• zelf informatie verzamelen, mede met behulp van ICT;
• beoordelen of voldoende informatie verzamel is.
 A4  8.7 verworven en/of gegeven informatie vanuit een gegeven of zelf geformuleerde (onderzoeks-)vraag ordenen en daarbij:
• informatie beoordelen op bruikbaarheid, betrouwbaarheid en representativiteit;
• informatie (her)ordenen en bewerken (eventueel rekenkundig), mede met behulp van ICT;
• conclusies formuleren ten aanzien van een (onderzoeks-)vraag en deze onderbouwen;
• een standpunt bepalen en dit onderbouwen en daarbij:
– feiten van meningen onderscheiden;
– in het geding zijnde waarden herkennen;
– eigen waarden en opvattingen confronteren met die van anderen;
– mogelijke consequenties van een standpunt aangeven;
– een beargumenteerd standpunt formuleren;
– luisteren naar de standpunten van anderen.
 A4  8.8 gegevens vertalen, mede met gebruikmaking van ICT:
• van verbaal naar grafisch en vice versa;
• van verbaal naar tabellarisch en vice versa;
• van tabellarisch naar grafisch en vice versa;
• van verbaal naar wiskundig/rekenkundig en vice versa;
• van tabellarisch naar wiskundig/rekenkundig en vice versa;
• van grafisch naar wiskundig/rekenkundig en vice versa.
 A4  8.9 • een geëigend medium kiezen (bijvoorbeeld mondeling, schriftelijk, (audio)visueel, mede met behulp van ICT;
• rekening houden met doel, doelgroep en randvoorwaarden.
Subdomein A5 Strategische vaardigheden 
Kennis van feiten en situaties
De kandidaat kan
 A5  8.10 gegeven een beschrijving van de termen die voor een reeks welomschreven soorten van organisaties van belang zijn de beschreven termen in eigen woorden omschrijven en voorbeelden geven van correct gebruik.
 A5  8.11 gegeven een beschrijving van een reeks welomschreven soorten van organisaties met voor elk de karakteristieke kenmerken van hun primaire proces uit een tekst aan de hand van signaalwoorden opmaken om wat voor soort organisatie het gaat en aangeven wat de karakteristieke kenmerken van die organisatie zijn.
Kennis van procedures
De kandidaat kan
A5  8.12 gegeven een (of meer) welomschreven model(len) per organisatietype op systematische wijze vraagstukken oplossen die zijn afgeleid uit de gegeven modellen.
A5  8.13 gegeven twee (of meer) welomschreven modellen per organisatietype de onderlinge verschillen benoemen en aangeven uit welke vooronderstellingen of impliciete afspraken die verschillen voortvloeien. Voorts kan hij aangeven hoe het ene model getransformeerd kan worden in het andere model door de geldige vooronderstellingen één voor één te vervangen.
Kennis van probleemoplosstrategieën
A5  8.14 volgens de hierna beschreven systematiek in duidelijke bewoordingen aangeven hoe hij een vraagstuk stapsgewijze zal aanpakken.
A5  8.15 gegeven een vraagstuk dat termen bevat die behandeld zijn de semantische betekenis van de termen aangeven en daarmee een correcte inhoudelijke beschrijving geven van de probleemstelling van het vraagstuk.
A5  8.16 gegeven de in aanhangsel 2 omschreven modellen aan de hand van één of meer signaalwoorden verwijzen naar verschillende modellen kan hij aangeven welk model hij als referentiekader kiest en hoe hij de afwijkingen ten opzichte van dat ene model interpreteert. Na de keuze van een model kan hij aangeven welk fragment uit het model van toepassing is op een bepaald vraagstuk en welke variatie daarbij eventueel van toepassing is.
A5  8.17 na de vaststelling van de samenhang tussen de onbekende grootheid en de data op twee verschillende wijzen een planning van het oplossingsproces maken:
• door de stappen te benoemen die successievelijk moeten worden uitgevoerd, onder vermelding van de te berekenen tussenresultaten;
• door een vergelijking af te leiden onder weglating van de tussenresultaten.
A5  8.18 na de vaststelling van een stapsgewijze planning van de oplossing (oplossingspad) de uitkomst van een vraagstuk op twee wijzen vaststellen:
• door de uitkomst te berekenen indien voor alle grootheden de bijbehorende waarden bekend zijn:
• door een formule af te leiden indien voor de grootheden alleen parameterwaarden gegeven zijn.
A5  8.19 na de keuze voor een formule die de samenhang tussen de data en de onbekende aangeeft de geldigheid van de formule verifiëren en vervolgens de onbekende grootheid berekenen via substitutie van de parameters met de waarden die in een bepaald vraagstuk beschikbaar zijn gesteld.
A5  8.20 tijdens de hantering van deze probleemaanpak onder woorden brengen hoe hij het vraagstuk aangepakt heeft en hoe hij de afzonderlijke stadia doorlopen heeft, waarmee hij aangeeft hoe een proces van sturing en bijsturing (monitoring) tot stand is gebracht.
A5  8.21 na afronding van een oplossingsproces aangeven welke kennis is opgedaan die bruikbaar is in volgende vraagstukken en aangeven welke gevolgen dit heeft voor de voorstelling die hij zich reeds eerder gemaakt heeft van de bedrijfseconomische problematiek.
Verschillen examenprogramma oude en nieuwe stijl
De globale eindtermen van het examenprogramma zijn voor de domeinen die betrekking hebben op het centraal examen nader gespecificeerd door de CEVO. Deze gespecificeerde eindtermen treft u bij de lesbrieven aan. Voor de globale eindtermen van het schoolexamen is er geen explicitering, wel is er een handreiking geschreven door de SLO waarin ideeën staan voor een mogelijke invulling van het schoolexamen. Scholen hebben dus veel vrijheid bij de invulling van het schoolexamen waarbij natuurlijk wel voldaan moet worden aan de eindtermen die vermeld staan bij de domeinen A, B, D en F. Het gebruik van ICT is in het nieuwe programma verplicht gesteld.
Alle uitsluitingen voor het centraal examen in het oude programma zijn in het nieuwe programma geschrapt. Dit betekent dat de niet-commerciële organisaties weer tot de stof van het centraal examen behoren. Verder zijn er in vergelijking met het oude programma kleine wijzigingen doorgevoerd, zoals:
de resultatenbegroting behoort nu wel tot de examenstof (begroting van baten en lasten behoorde al tot de examenstof
het beschrijven van de werkzaamheden van banken is geschrapt
het beschrijven van de procedure rond de beëindiging van een organisatie is geschrapt
eindtermen over leasing zijn samengevoegd en vereenvoudigd
splitsing kapitaaldienst en gewone dienst is geschrapt
alle ICT-eindtermen zijn bij de eindtermen voor het CE geschrapt (en het is de bedoeling dat daar aandacht aan wordt besteed in het programma voor het SE, waardoor in feite een deel van de CE-stof via een achterdeur terecht komt in het SE-programma)
break-evenafzet, break-evenomzet en break-evenpoint aangeven is een grafiek is toegevoegd
onderscheid tussen gestort en geplaatst aandelenkapitaal is geschrapt, er wordt alleen nog maar gesproken van geplaatst aandelenkapitaal
verschillen tussen interne en externe verslaggeving zijn geschrapt
het herleiden van een jaarverslag op de structuur van de winst- en verliesrekening van het algemene model is geschrapt
er zijn flink wat modellen geschrapt
in veel modellen is de term interestopbrengst vervangen door overige opbrengst
Het nieuwe examenprogramma geldt met ingang van het centraal examen havo 2009. Met ingang van de centrale examens 2015 is de grafische rekenmachine niet meer toegestaan.