Bel ons: 043-3210509|info@uitgeverijstoffels.nl
DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP HAVO 5e druk
les Maken door leerling les Maken door leerling les Maken door leerling les Maken door leerling
1 opdracht 1 t/m 4 11 32 t/m 34 21 55 t/m 57 31 77 en 78
2 5 t/m 7 12 35 en 36 22 58 t/m 60 32 78 en 79
3 8 t/m 11 13 37 en 38, uitloop 23 61 t/m 63 33 Samenvatting, D-toets 6
4 D-toets 1, Case 1 14 D-toets 2 24 64 t/m 66 34 D-toets 6
5 Case 1 15 39 t/m 41 25 67 en 68 35 Case 2
6 12 t/m 17 16 42 en 43, D-toets 3 26 69 t/m 71 36 Case 3
7 18 t/m 22 17 44 t/m 46 27 72 en 73 37 Case 3
8 23 t/m 26 18 47 en 48, D-toets 4 28 74 38 Uitloop
9 27 t/m 29 19 49 t/m 53 29 75
10 30 en 31 20 54, D-toets 5 30 76
Studielast De Naamloze Vennootschap havo
Doorwerken van de lesbrief: 34 x 50/60 31 uur en 40 minuten
Studeren1) 15 uur
Proefwerken maken 1 uur en 40 minuten
Bespreken proefwerken 1 uur en 40 minuten
Extra vaardigheidsopdrachten p.m.
Totaal 50 uur
1) Het betreft hier de tijd die nodig is voor het eventueel maken van een samenvatting, het bestuderen van de stof voor proefwerken, school- en centraal examen.
EINDTERMEN DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP HAVO 5e druk
eeeeeeeee
DOMEIN C: FINANCIERING VAN ACTIVITEITEN
Subdomein C1: Rechtsvormen
De kandidaat kan:
C1  8.1 het begrip rechtsvorm noemen.
C1  8.2 de begrippen natuurlijke persoon en rechtspersoon noemen.
C1  8.3 de rechtsvormen (vereniging, stichting, eenmanszaak, vennootschap onder firma, openbare vennootschap) naamloze vennootschap, besloten vennootschap beschrijven.
C1  8.4 kenmerken van de genoemde rechtsvormen noemen.
C1  8.5 voor- en nadelen van de genoemde rechtsvormen met betrekking tot de ondernemingscontinuïteit, de financiering, de juridische aansprakelijkheid, de leiding, de besluitvorming en de zeggenschap beschrijven.
C1  8.6 de keuze door een organisatie voor een bepaalde rechtsvorm verklaren.
C1  8.10 de belangrijkste bevoegdheden van directie, raad van commissarissen en algemene vergadering van aandeelhouders in een bv en een nv noemen.
C1  8.11 de besluitvorming binnen een bv of nv verklaren.
Subdomein C2: Aantrekken van geld
De kandidaat kan:
C2  9.1 de betekenis van het begrip vermogensmarkt beschrijven.
C2  9.2 de betekenis van de begrippen geld- en kapitaalmarkt beschrijven en de werking van het marktmechanisme op deze markten beschrijven.
C2  9.3 de verschillende personen en instellingen die opereren op de geld- en kapitaalmarkt noemen.
C2  9.4 de werking van de effectenbeurs beschrijven.
C2  9.5 de begrippen openbaar en onderhands vermogen noemen.
C2  9.6 voor- en nadelen van openbaar vermogen ten opzichte van onderhands vermogen voor de geldgever en de geldnemer noemen.
C2  9.7 het begrip financieringskosten noemen.
C2  9.8 de begrippen aandelenvermogen, geplaatst aandelenvermogen, nominale waarde van een aandeel, emissiekoers van een aandeel, beurskoers per aandeel en dividend per aandeel noemen.
C2  9.15 verschillende vormen van lang vreemd vermogen noemen: hypothecaire lening, onderhandse lening, gewone obligatielening.
C2  9.16 beschrijven hoe de genoemde vormen van lang vreemd vermogen ontstaan.
C2  9.17 de verschillende vormen van kort vreemd vermogen noemen: bankkrediet (rekening-courant krediet), leverancierskrediet en afnemerskrediet.
C2  9.18 beschrijven hoe de genoemde vormen van kort vreemd vermogen ontstaan.
C2  9.29 de verschillende vormen van aandelenvermogen: gewoon aandelenvermogen en preferent aandelenvermogen noemen.
C2  9.30 voordelen en nadelen van gewoon aandelenvermogen noemen ten opzichte van preferent aandelenvermogen voor de onderneming en de beleggers.
C2  9.31 het begrip intrinsieke waarde per aandeel noemen en berekenen.
C2  9.32 de begrippen cashdividend en stockdividend noemen en berekenen.
C2  9.33 het dividendpercentage of het dividendbedrag per aandeel van cashdividend en stockdividend berekenen.
C2  9.34 voordelen en nadelen noemen van uitkering van stockdividend ten opzicht van cashdividend voor de onderneming en de aandeelhouders.
DOMEIN G: EXTERNE FINANCIËLE VERSLAGGEVING
Subdomein G2: Verslaggeving door commerciële organisaties: niet-productieondernemingen
De kandidaat kan:
G2  16.4 de winst- en verliesrekening beschrijven in staffelvorm en de posten hierop verklaren (modellen 2.1 en 3.1).
G2  16.5 een balans opstellen aan de hand van gegeven informatie volgens het algemene model (zie paragraaf 2.1 van aanhangsel 2).
G2  16.6 de balansposten van het algemene model (zie paragraaf 2.1 van aanhangsel 2) noemen.
Immateriële vaste activa: vergunningen, goodwill.
Materiële vaste activa: terreinen, gebouwen, andere vaste bedrijfsmiddelen.
Financiële vaste activa: deelnemingen.
Voorraden: handelsgoederen.
Vorderingen en overlopende (transitorische) activa: handelsdebiteuren, nog te ontvangen bedragen, vooruitbetaalde bedragen.
Effecten: effecten als tijdelijke belegging van overtollig kasgeld.
Liquide middelen: kas, bank(en).
Geplaatst aandelenkapitaal: maatschappelijk aandelenkapitaal verminderd met de aandelen in portefeuille.
Agio: reserve ontstaan door plaatsing van aandelenkapitaal boven pari.
Herwaarderingsreserve: reserve ontstaan door herwaardering van vaste activa.
Wettelijke en statutaire reserve: de wettelijke reserves vloeien voort uit de wet, de statutaire reserves vloeien voort uit de statuten.
Overige reserves.
Nettowinst: winst afgelopen boekjaar na aftrek vennootschapsbelasting, voordat de winstbestemming heeft plaatsgevonden.
Voorzieningen: voorzieningen groot onderhoud; pensioenvoorziening.
Langlopende schulden: schulden met een looptijd van langer dan een jaar en nadat de verplichting voor het komend jaar is overgeheveld naar de schulden op korte termijn, obligatieleningen, hypotheken o/g, onderhandse geldleningen.
Kortlopende schulden en overlopende (transitorische) passiva: handelscrediteuren, nog te betalen bedragen, vooruit ontvangen bedragen, aflossing van langlopende schulden voor zover die komend jaar gaan plaatsvinden.
G2  16.7 de afschrijvingsmethode als vast percentage van de aanschafwaarde beschrijven en de afschrijving en boekwaarde berekenen.
G2  16.8 de posten op de winst-& verliesrekening volgens het algemene model (zie paragraaf 2.2 van aanhangsel 2) noemen.
G2  16.9 de onderlinge samenhang van de termen van het algemene model van de winst-& verliesrekening (zie paragraaf 2.2 van aanhangsel 2) verklaren.
G2  16.10 de grondslagen voor de resultatenbepaling noemen.
G2  16.11 de omvang van de salarissen, sociale lasten en de (afzonderlijk te vermelden) pensioenlasten, alsmede de bezoldiging van directie en commissarissen inclusief pensioenlasten herkennen.
G2  16.12 een winst- & verliesrekening opstellen aan de hand van gegeven informatie volgens het algemene model (zie paragraaf 2.2 van aanhangsel 2).
G2  16.13 de betekenis van de accountantsverklaring en de rol van de externe accountant in het maatschappelijk verkeer beschrijven.
G2  16.14 het begrip kengetal, de diverse soorten van kengetallen noemen en de waarde ervan berekenen.
Liquiditeitskengetallen: current-ratio, quick-ratio
Solvabiliteitskengetallen: totaal activa (vermogen)/vreemd vermogen en eigen vermogen/vreemd vermogen
Rentabiliteitskengetallen: rentabiliteit van het (gemiddelde) totale vermogen, rentabiliteit van het (gemiddelde) eigen vermogen, interestkosten van het (gemiddelde) vreemde vermogen en hefboomwerking
Cash-flow: nettowinst uit gewone bedrijfsuitoefening + afschrijvingen
Beleggingskengetallen: dividendrendement = dividend per aandeel/koers per aandeel
G2  16.15 aan de hand van kengetallen van twee opeenvolgende balansen en/of resultaten-rekeningen de ontwikkeling beschrijven van de commerciële organisatie op het terrein van de financiële structuur, liquiditeit, solvabiliteit, rentabiliteit, activiteiten en cashflow.
G2  16.10 de beperkte waarde van de kengetallen verklaren.