STICHTING EN VERENIGING HAVO 3e druk
les Maken door leerling les Maken door leerling les Maken door leerling les Maken door leerling
1 opdracht 1 t/m 5 11 38 t/m 40 21 61 t/m 63 31 D-toets (12 en 13)
2 6 t/m 10 12 41 t/m 44 22 64 t/m 66 32 Case 5
3 11 t/m 15 13 45 en 46 23 67 t/m 71 33 Case 5
4 D-toets 1 14 47 t/m 50 24 72 t/m 74 34 Case 6
5 Case 1 t/m 3 15 D-toets 2 (1 t/m 10) 25 75 t/m 78 35 Case 7
6 16 t/m 22 16 D-toets 2 (11 en 13), Case 4 26 79 t/m 81 36 Case 7
7 23 t/m 27 17 Case 4 27 82 t/m 90 37 Case 8
8 28 t/m 30 18 51 t/m 54 28 91 t/m 95 38 Case 8
9 31 t/m 33 19 55 t/m 58 29 96 t/m 98 39 Case 8
10 34 t/m 37 20 59 en 60 30 D-toets 3 (1 t/m 11)
Studielast Stichting en Vereniging havo
Doorwerken van de lesbrief: 39 x 50/60 32 uur en 30 minuten
Studeren1) 12 uur
Proefwerken maken 3 uur en 30 minuten
Bespreken proefwerken 1 uur en 40 minuten
Extra vaardigheidsopdrachten p.m.
Totaal 49 uur
1) Het betreft hier de tijd die nodig is voor het eventueel maken van een samenvatting, het bestuderen van de stof voor proefwerken, school- en centraal examen.
EINDTERMEN STICHTING EN VERENIGING HAVO 3e druk
eeeeeeeeeee
DOMEIN C: FINANCIERING VAN ACTIVITEITEN
Subdomein C1: Rechtvormen
De kandidaat kan:
C1  8.1 het begrip rechtsvorm noemen.
C1  8.2 de begrippen natuurlijke persoon en rechtspersoon noemen.
C1  8.3 de rechtsvormen vereniging, stichting, (eenmanszaak, vennootschap onder firma, (openbare vennootschap), naamloze vennootschap, besloten vennootschap) beschrijven.
C1  8.4 kenmerken van de genoemde rechtsvormen noemen.
C1  8.5 voor- en nadelen van de genoemde rechtsvormen met betrekking tot de ondernemingscontinuïteit, de financiering, de juridische aansprakelijkheid, de leiding, de besluitvorming en de zeggenschap beschrijven.
C1  8.6 de keuze door een organisatie voor een bepaalde rechtsvorm verklaren.
C1  8.7 de belangrijkste bevoegdheden van directie, bestuur en algemene ledenvergadering in een vereniging noemen.
C1  8.8 de belangrijkste bevoegdheden van (directie en) bestuur in een stichting noemen.
C1  8.9 de besluitvorming binnen een vereniging en binnen een stichting verklaren.
Subdomein C2: Aantrekken van geld
De kandidaat kan:
C2  9.15 verschillende vormen van lang vreemd vermogen noemen: hypothecaire lening, onderhandse lening, gewone obligatielening.
C2  9.16 beschrijven hoe de genoemde vormen van lang vreemd vermogen ontstaan.
C2  9.17 de verschillende vormen van kort vreemd vermogen noemen: bankkrediet (rekening-courant krediet), leverancierskrediet en afnemerskrediet.
C2  9.18 beschrijven hoe de genoemde vormen van kort vreemd vermogen ontstaan.
C2  9.19 noemen van operational leasing, financial leasing en de voordelen en nadelen ervan voor een onderneming of instelling.
C2  9.20 de verschillende vormen van financiering van niet-commerciële organisaties beschrijven: budgetfinanciering, lump-sum en subsidies.
C2  9.21 het begrip interest noemen.
C2  9.23 de enkelvoudige interest met periodiek gelijke aflossingsbedragen berekenen.
C2  9.25 de periodieke interestbedragen, de periodieke aflossingsbedragen en schuldrest bij een lening met periodiek gelijke aflossingsbedragen berekenen.
DOMEIN E: FINANCIEEL BELEID
Subdomein E1: Financieel beleid in niet-commerciële organisaties
De kandidaat kan:
E1  12.1 noemen wat de betekenis is van posten die in een overzicht van ontvangsten en uitgaven vermeld staan.
E1  12.2 berekenen hoe groot het overschot of tekort in de liquide middelen (kas, girotegoed, bankkrediet) is dat ontstaat als gevolg van ontvangsten en uitgaven die een vereniging of stichting in een bepaald jaar verricht (conform model 4.1).
E1  12.3 berekenen hoe groot het nieuwe saldo op de kas, girorekening of bankrekening is, als de mutatie in de liquide middelen verrekend wordt met de beginsaldi.
E1  12.4 ontvangsten van een vereniging of stichting in een bepaald jaar verrekenen met ‘nog te ontvangen bedragen’ en ‘achteraf ontvangen bedragen’ zodat de baten van een lopend boekjaar ontstaan en vice versa.
E1  12.5 uitgaven van een vereniging of stichting in een bepaald jaar verrekenen met ‘nog te betalen bedragen’ en ‘achteraf betaalde bedragen’ zodat de lasten van een lopend boekjaar ontstaan en vice versa.
E1  12.6 berekenen hoe groot de mutatie van het eigen vermogen van een vereniging of stichting is, die ontstaat als gevolg van het saldo van baten en lasten.
E1  12.7 een balans opstellen waaruit de vermogenspositie van een vereniging of stichting blijkt.
E1  12.8 met behulp van de toelichting die de penningmeester op een jaarverslag heeft gegeven beschrijven waarom de rekening van de ontvangsten en uitgaven over een bepaald boekjaar afwijkt van de begroting over dat boekjaar.
E1  12.9 een begroting van de ontvangsten en uitgaven in het nieuwe jaar opstellen op basis van de rekening over het afgesloten boekjaar en de beslissingen die het bestuur van een vereniging of stichting genomen heeft over de ontvangsten en uitgaven in het nieuwe jaar.
E1  12.10 een liquiditeitsbegroting van maximaal vier perioden maken die een verklaring geeft voor de mutaties in de liquide middelen.
E1  12.11 met behulp van de toelichting die de penningmeester op een jaarverslag heeft gegeven beschrijven hoe de beleidsplannen van een bestuur in een bepaald boekjaar onderbouwd zijn met financiële gegevens.
E1  12.12 een begroting van de baten en lasten in het nieuwe jaar opstellen op basis van de staat van baten en lasten over het afgesloten boekjaar plus de beslissingen die het bestuur van een vereniging of stichting genomen heeft over de baten en lasten in het nieuwe jaar.
DOMEIN G: EXTERNE FINANCIËLE VERSLAGGEVING
Subdomein G1: Verslaggeving door niet-commerciële organisaties
De kandidaat kan:
G1  16.1 de termen van het algemene model kassaldo (conform de richtlijnen van model 4.1) noemen.
G1  16.2 de onderlinge samenhang van de termen in het algemene model kassaldo verklaren.
G1  16.3 de verschillen tussen de begroting en de gerealiseerde ontvangsten en uitgaven in het jaarverslag verklaren.