BEDRIJF STARTEN VWO 1e druk

les Maken door
leerling
les les les
1    1.1 t/m 1.6 11   D-toets 2 21   3.34 t/m 3.36 31   4.8 t/m 4.9
2    1.7 t/m 1.12 12   D-toets 2 22   3.37, 3.38 D-toets 3 (1 t/m 6) 32   4.10
3    1.13 t/m 1.18 13   3.1 t/m 3.5 23   D-toets 3 (7 t/m 20) 33   D-toets 4
4    1.19 t/m 1.23 14   3.6 t/m 3.7 24   Case 3.1 34   Case 4.1 of 4.2
5    1.24 D-toets 1 15   3.8 t/m 3.10 25   Case 3.2 35   Case 4.1 of 4.2
6    Case 1.1 16   3.11 t/m 3.17 26   4.1 t/m 4.2 36   Case 4.1 of 4.2
7    2.1 t/m 2.12 17   3.18 t/m 3.20 27   4.3 t/m 4.4 37   Case 4.1 of 4.2
8    2.13 t/m 2.20 18   3.21 t/m 3.26 28   4.5 38   5.1 t/m 5.2
9    2.21 t/m 2.24 19   3.27 t/m 3.29 29   4.6 39   5.3, D-toets 5
10    2.25 t/m 2.26 20   3.30 t/m 3.33 30   4.7 40   6.1 t/m 6.5

 

Studielast Bedrijf Starten vwo

Doorwerken van de lesbrief     40 × 50/60     33 uur en 20 minuten
Studeren¹     12 uur
Proefwerk maken     2 uur en 30 minuten
Bespreken proefwerken     1 uur en 40 minuten
Extra vaardigheidsopdrachten     p.m.
Totaal     50 uur

Subdomein B2: De oprichting van een eenmanszaak

12. De kandidaat kan het proces voor en rond de oprichting van een eenmanszaak beschrijven, in de rol van ondernemer toepassen en analyseren.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat het proces voor en rond de oprichting van een eenmanszaak kan uitleggen en in de rol (en de keuzes) van de ondernemer hierin kan beoordelen.

In dat verband kan de kandidaat
12.1       de voor- en nadelen van een arbeidsrelatie versus zelfstandig ondernemerschap beoordelen.
12.2       in de rol van ondernemer het (creatieve) proces voor de oprichting van een eenmanszaak beoordelen.

Belangrijkste begrippen

causation

  • marktdefinitie,
  • segmentatie/ richten
  • positioneren

12.3       in de rol van ondernemer de verschillende onderdelen van een ondernemingsplan opstellen.
12.3.1     een persoonlijk plan opstellen
12.3.2     een marketingplan opstellen
12.3.3     een financieel plan opstellen

Belangrijkste begrippen

persoonlijk plan

  • persoonlijke gegevens
  • persoonlijke motieven
  • persoonlijke kwaliteiten

financieel plan

  • investeringsbegroting
  • financieringsbegroting
  • resultatenbegroting
  • liquiditeitsbegroting

12.4  de verschillende oprichtingseisen met betrekking tot een startende eenmanszaak uitleggen.

Belangrijkste begrippen

oprichtingseisen

  • inschrijving bij Kamer van Koophandel
  • registratie bij de Belastingdienst
  • vergunningen

Subdomein B2 12.1 gekoppeld aan C2 17
Subdomein B2 12.3.3 gekoppeld aan D2 20.1
Subdomein B2 12.3.3 gekoppeld aan F1 28.3
Subdomein B2 12.3.3 gekoppeld aan F2 31

Subdomein B3: Van eenmanszaak naar rechtspersoon

13. De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat de verschillende rechtsvormen kan uitleggen.
In dat verband kan de kandidaat
13.1       in de rol van ondernemer uitleggen wat een geschikte rechtsvorm voor de eigen organisatie is.
13.1.1     het begrip rechtsvorm noemen.
13.1.3     de kenmerken van de rechtsvormen eenmanszaak, vennootschap onder firma noemen met betrekking tot continuïteit, financiering, juridische aansprakelijkheid, belastingen, leiding, besluitvorming en zeggenschap.
13.1.4 de keuze voor een bepaalde rechtsvorm uitleggen.
13.1.5 de belangrijkste bevoegdheden van de organen binnen een organisatie: directie noemen.

Belangrijkste begrippen

rechtsvorm

  • natuurlijk persoon
  • eenmanszaak
  • vennootschap onder firma (openbare vennootschap)

organen binnen organisatie

  • directie
  • bestuur

Subdomein B3 13.1.4 gekoppeld aan D2 19

Domein D: Investeren en Financieren

De kandidaat kan bij een investeringsvraagstuk noemen welke gegevens relevant zijn, uitleggen of een investering economisch zinvol is en hierbij verschillende investeringsselectiemethoden analyseren en beoordelen. Hij kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt uitleggen. De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen noemen en uitleggen welke risico’s financiering met vreemd vermogen met zich meebrengen.

Subdomein D2: Financieren

20. De kandidaat kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit:
In dat verband kan de kandidaat
20.1    dat de kandidaat de verschillende financieringsmogelijkheden voor een startende eenmanszaak kan analyseren. 20.1.1     verschillende financieringswijzen noemen.
20.1.2     de voorwaarden die de financiers stellen, analyseren.

Belangrijkste begrippen

financieringswijzen

  • banken
  • overige vermogensverschaffers, inclusief leasemaatschappijen
  • eigen inbreng

20.2       dat de kandidaat vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt kan analyseren.
20.2.1     het belang van de vermogensmarkt voor een onderneming uitleggen.

Belangrijkste begrippen

vermogensmarkt

  • openbaar en onderhands vermogen
  • marktsentiment
  • netto contante waarde

21. De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen onderscheiden

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat vanuit het perspectief van een organisatie de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen kan analyseren.
In dat verband kan de kandidaat
21.5        de verschillen tussen de vormen van lang vreemd vermogen, i.c. hypothecaire lening en onderhandse lening noemen.
21.9        de verschillen tussen vormen van kort vreemd vermogen, i.c. rekening-courant krediet, leverancierskrediet en afnemerskrediet noemen.
21.10      risico’s noemen van de financieringskeuze.

Belangrijkste begrippen

lang vreemd vermogen

  • hypothecaire lening
  • onderhandse lening
  • langlopende leaseverplichtingen

kort vreemd vermogen

  • bankkrediet (rekeningcourantkrediet)
  • leverancierskrediet
  • afnemerskredie

22.  De kandidaat kan aangeven welke invloed de wijze van financieren heeft op het risico en geëist rendement van het eigen en vreemd vermogen

Domein F: Financieel beleid

De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en financiële overzichten opstellen. Hij kan financiële en niet-financiële informatie analyseren en het belang van beide uitleggen voor het besturen van de organisatie. Hij kan voor een handelsonderneming of dienstenonderneming de verschillende kostensoorten noemen, de winst berekenen en de verschillen analyseren

Subdomein F1: Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie

28. De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en verwerken tot financiële overzichten.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat financiële overzichten kan opstellen en analyseren.
In dat verband kan de kandidaat
28.1    de gevolgen van financiële feiten, in de context van een eenmanszaak, voor de balans en winst- en verliesrekening analyseren. NB De kandidaat hoeft geen journaalposten op te stellen.
28.2    de kosten op basis van gegeven uitgaven en de opbrengsten op basis van gegeven ontvangsten en vice versa, berekenen.
28.3    de samenhang uitleggen tussen een beginbalans, een liquiditeitsbegroting, een exploitatiebegroting en een geprognosticeerde eindbalans ten dienste van de interne verslaggeving opstellen.
28.4    de samenhang uitleggen tussen een exploitatiebegroting, een geprognosticeerde eindbalans en een liquiditeitsbegroting gegeven de beginbalans.

Belangrijkste begrippen

financiële feiten

  • inkoop (en ontvangst) van goederen en diensten(contant en op rekening)
  • verkoop (en aflevering) van   goederen en diensten (contant en op   rekening)
  • aflossen van schulden
  • afschrijving (op basis van aanschafwaarde)
  • btw aangifte
  • privéontvangsten en -uitgaven
  • overige ontvangsten per kas en bank
  • overige uitgaven per kas en bank

financiële overzichten

  • beginbalans
  • eindbalans
  • liquiditeitsbegroting
  • exploitatiebegroting
  • geprognosticeerde eindbalans
  • winst- en verliesrekening
  • afzet
  • verkoopprijs
  • omzet
  • kosten
  • bedrijfsresultaat
  • financieringsresultaat
  • incidentele resultaat
  • resultaat voor winstbelasting
  • vennootschapsbelasting
  • inkomstenbelasting
  • resultaat na winstbelasting
  • eigen vermogen
  • mutatie liquide middelen
  • liquide middelen
  • gerealiseerde balans
  • voorraadgrootheden
  • stroomgrootheden

overlopende posten

  • nog te betalen bedragen
  • nog te ontvangen bedragen
  • vooruitbetaalde bedragen
  • vooruitontvangen bedragen