Bel ons: 043-3210509|info@uitgeverijstoffels.nl

FINANCIERING EN VERSLAGGEVING VWO 1e druk

les Maken door
leerling
les les les
1 opdr. 1/1 t/m 1.3 12 2.23 t/m 2.25 23 5.2 en 5.3 34 5.32 en 5.33
2 1.4 t/m 1.7 13 2.26 t/m 2.29 24 5.4 t/m 5.6 35 D-toets 5: 1 t/m 14
3 1.8 t/m 1.10 14 2.30 en 2.31 25 5.7 t/m 5.9 36 D-toets 5: 15 t/m 20
4 1.11, 1.12 D-toets 1 t/m 11 15 D-toets 2: 1 t/m 17 26 5.10 t/m 5.13 37 Case 5.1
5 D-toets 12 t/m 22 16 3.1 t/m 3.4 27 5.14 t/m 5.16 38 Case 5.2
6 Case 1 17 3.5 t/m 3.9 28 5.17 t/m 5.19 39 6.1 t/m 6.5
7 2.1 t/m 2.7 18 3.10 en 3.11 29 5.20 en 5.21 40 6.6 t/m 6.10
8 2.8 t/m 2.12 19 3.12 t/m 3.14 30 5.22 en 5.23 41 6.11 en 6.12
9 2.13 t/m 2.16 20 D-toets 3 31 5.24 en 5.25 42 D-toets 6
10 2.17 t/m 2.19 21 4.1 t/m 4.4 32 5.26 t/m 5.28 43 Case 6.1
11 2.20 t/m 2.22 22 4.5, D-toets 4, 5.1 33 5.29 t/m 5.31 44 Case 6.1

 

Studielast Financiering en Verslaggeving Vwo

Doorwerken van de lesbrief 44 × 50/60 36 uur en 40 minuten
Studeren 20 uur
Proefwerken maken 3 uur en 20 minuten
Bespreken proefwerk 1 uur
Extra vaardigheidsopdrachten p.m.
Totaal 61 uur

Studielast Financiering en Verslaggeving Havo

Doorwerken van de lesbrief 31 x 50/60 25 uur en 50 minuten
Studeren 15 uur
Proefwerken maken 1 uur en 40 minuten
Bespreken proefwerk 1 uur
Extra vaardigheidsopdrachten p.m.
Totaal 44 uur

Eindtermen Financiering en Verslaggeving Vwo
Subdomein B3: Van eenmanszaak naar rechtspersoon
13. De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat de verschillende rechtsvormen kan uitleggen.
In dat verband kan de kandidaat

13.1 in de rol van ondernemer uitleggen wat een geschikte rechtsvorm voor de eigen organisatie is.
13.1.1 het begrip rechtsvorm noemen.
13.1.2 het verschil tussen natuurlijk persoon en rechtspersoon uitleggen.
13.1.3 de kenmerken van de rechtsvormen besloten vennootschap, naamloze vennootschap, noemen met betrekking tot continuïteit, financiering, juridische aansprakelijkheid, belastingen, leiding, besluitvorming en zeggenschap.
13.1.4 de keuze voor een bepaalde rechtsvorm uitleggen.
13.1.5 de belangrijkste bevoegdheden van de organen binnen een organisatie: directie, bestuur, raad van commissarissen, ledenvergadering en algemene vergadering van aandeelhouders noemen.
13.1.6 de redenen tot het beëindigen van een organisatie uitleggen.
13.1.7 de begrippen surseance van betaling en faillissement uitleggen.
13.1.8 de gevolgen van een surseance van betaling voor de stakeholders uitleggen.
13.1.9 de gevolgen van een faillissement voor de stakeholders uitleggen.

Belangrijkste begrippen
rechtsvorm
– natuurlijk persoon
– rechtspersoon
– besloten vennootschap
– naamloze vennootschap
organen binnen organisatie
– directie
– bestuur
– raad van commissarissen
– algemene vergadering van aandeelhouders
beëindiging organisatie
– surseance van betaling
– faillissement
– zonder bedrijfsopvolging/verkoop
– stakeholders

Subdomein B3 13.1.4 gekoppeld aan D2 19

Subdomein B4: Perspectief op de organisatie
14. De kandidaat kan de plaats van de organisatie in de maatschappij beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat de rol en de plaats van de organisatie in de maatschappij kan uitleggen.
In dit verband kan de kandidaat.

14.2 het bestaansrecht van een organisatie uitleggen.
14.2.3 de betekenis van de controleverklaring en de rol van de externe accountant in het maatschappelijk verkeer uitleggen

Belangrijkste begrippen
controleverklaring
– verslaggeving

Subdomein B4 14.2.2 gekoppeld aan F1 29
Subdomein B4 14.2.3 gekoppeld aan G 32

Domein D: Investeren en Financieren

De kandidaat kan bij een investeringsvraagstuk noemen welke gegevens relevant zijn, uitleggen of een investering economisch zinvol is en hierbij verschillende investeringsselectiemethoden analyseren en beoordelen. Hij kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogens-markt uitleggen. De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen noemen en uitleggen welke risico’s financiering met vreemd vermogen met zich meebrengen.

Subdomein D2: Financieren

20. De kandidaat kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt beschrijven.

Voor het centraal examen betekent dit:
In dat verband kan de kandidaat

20.1 dat de kandidaat de verschillende financieringsmogelijkheden voor een startende eenmanszaak kan analyseren.
20.1.1 de verschillende financieringswijzen noemen.
20.1.2 de voorwaarden die financiers stellen, analyseren.

Belangrijkste begrippen:
Financieringswijzen
– banken
– overige vermogensverschaffers inclusief leasemaatschappijen
– eigen inbreng

20.2   dat de kandidaat vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt kan analyseren.
20.2.1   het belang van de vermogensmarkt voor een onderneming uitleggen.
20.2.2   de verschillen tussen de vermogenstitels noemen.
20.2.3   de belangrijkste toezichthouders op de vermogensmarkt noemen en hun rol uitleggen.
20.2.4   het koersverloop van obligaties in relatie tot veranderingen in de marktrente analyseren.
20.2.5   het begrip marktefficiëntie uitleggen ten aanzien van de beurskoersen en de wijze waarop informatie in de koersen wordt verwerkt.
20.2.6   de invloed van de netto waarde van nieuwe projecten op de marktwaarde van de organisatie analyseren.

Belangrijkste begrippen:
vermogensmarkt
– openbaar en onderhands vermogen
– marktefficiëntie
effectenbeurs
– aandelen
– obligaties
– beleggingsfondsen
– koersverloop en volatiliteit
toezichthouders
– AFM
– DNB
– ACM
koersbepalende factoren
– bedrijfsnieuws (financieel en niet-financieel)
– beursklimaat
– marktrente
– marktsentiment
– netto contante waarde

21. De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen onderscheiden.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat vanuit het perspectief van een organisatie (een onderneming met aandeelhouders, al dan niet beursgenoteerd) de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen kan analyseren.
In dat verband kan de kandidaat

21.1   het onderscheid tussen het maatschappelijk aandelenkapitaal en het geplaatst aandelenkapitaal berekenen.
21.2   het onderscheid tussen de nominale waarde, beurskoers, emissiekoers en intrinsieke waarde van een aandeel uitleggen.
21.3   de invloed van het beursklimaat, de beurskoers en de toekomstverwachting op de emissiekoers uitleggen.
21.4   het agio op aandelen berekenen.
21.5   de verschillen tussen de vormen van lang vreemd vermogen, i.c. hypothecaire lening, gewone obligatielening, converteerbare obligatielening en onderhandse lening noemen.
21.6  de voor- en nadelen van een converteerbare obligatielening vergeleken met die van een gewone obligatie uitleggen.
21.7   het onderscheid tussen de nominale waarde, beurskoers, emissiekoers van een obligatie uitleggen.
21.8   het agio en disagio op obligaties berekenen.
21.9  de verschillen tussen vormen van kort vreemd vermogen, i.c. rekening-courant krediet, leverancierskrediet en afnemerskrediet noemen.
21.10   risico’s noemen van de financieringskeuze.
21.11   de betekenis van off-balance-sheet risico’s uitleggen en aan de hand van een voorbeeld de aard en impact is van dit soort risico’s analyseren.
21.12   uitleggen dat door middel van opties en/of termijncontracten risico-hedging (risico afdekking) plaats vindt.
21.13 de risico’s van opties en termijncontracten analyseren in relatie tot short posities en long posities.

Belangrijkste begrippen:
aandelenkapitaal
– maatschappelijk aandelenkapitaal
– geplaatst aandelenkapitaal
aandeel
– nominale waarde
– intrinsieke waarde
– emissiekoers
– agio op aandelen
– beurskoers
– dividend (stock, cash, gewoon en preferent)
obligatie
– nominale waarde
– emissiekoers
– agio op obligaties
– disagio op obligaties
– beurskoers
– interbancaire interest
lang vreemd vermogen
– hypothecaire lening
– onderhandse lening
– gewone obligatielening
– converteerbare obligatielening
– langlopende leaseverplichtingen
kort vreemd vermogen
– bankkrediet (rekeningcourantkrediet)
– leverancierskrediet
– afnemerskrediet
risico’s
– off-balance-sheet
– hedgen/afdekken opties (call en put)dividend in euro’s

22. De kandidaat kan aangeven welke invloed de wijze van financieren heeft op het risico en geëist rendement van het eigen en vreemd vermogen.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat kan analyseren welke invloed de wijze van financieren heeft op het risico en geëist rendement van het eigen en vreemd vermogen.
In dit verband kan de kandidaat

22.1 de gevolgen van de verhouding tussen eigen vermogen/vreemd vermogen voor het interestpercentage op vreemd vermogen en het faillissementsrisico analyseren.

Belangrijkste begrippen:
de verhouding eigen vermogen/vreemd vermogen
– verhouding tussen vreemd vermogen en eigen vermogen (risicodragend vermogen) / vermogensstructuur
– faillissementsrisico
– hefboomwerking
– geëist rendement / kostenvoet

Domein G: Verslaggeving

De kandidaat kan een eenvoudige jaarrekening van een organisatie analyseren.

32. De kandidaat kan de jaarrekening van een organisatie (zoals een MKB-bedrijf) interpreteren en analyseren en evalueren.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat een jaarrekening van een organisatie zoals een MKB-bedrijf kan analyseren en evalueren.
In dit verban kan de kandidaat

32.1   uitleggen wat de verschillende posten op de balans en winst- en verliesrekening van de jaarrekening inhouden.
32.2    uitleggen aan de hand van voorbeelden wat de relevantie is van ‘niet uit de balans blijkende verplichtingen en risico’s”.
32.3   kengetallen ter beoordeling van de onderneming berekenen
– liquiditeitsratio’s: current ratio, quick ratio
– solvabiliteitsratio’s: elke verhoudingsgetal tussen EV/VV/TV
– rentabiliteitsratio’s: winst per aandeel, REV, RTV, IVV, cash flow per aandeel
32.4   uitleggen welke voor- en nadelen zijn verbonden aan het hanteren van kengetallen.
32.5   aan de hand van (kengetallen van) twee opeenvolgende balansen en de winst- en verliesrekening de financiële structuur van de organisatie op basis van liquiditeit, solvabiliteit, rentabiliteit en cashflow beoordelen.
32.6   het DuPont schema analyseren.
32.7   de invloed van verschillende wet- en regelgevingen op de jaarrekening noemen.
32.8   de relatie tussen financiële en niet-financiële verslaggeving uitleggen.

Belangrijkste begrippen:
jaarverslag
jaarrekening
bestuursverslag
balans
vaste activa
– immateriële vaste activa
– materiële vaste activa
– financiële vaste activa
vlottende activa
– voorraad
– debiteuren
– effecten
– overlopende posten
– liquide middelen
eigen vermogen
– eigen vermogen
– reserves
– resultaat
verplichtingen op lange termijn
– hypothecaire lening
– onderhandse lening
– voorziening
verplichtingen op korte termijn
– crediteuren
– rekening-courantkrediet
– overlopende posten
voorzieningen
– onderhoudsvoorziening
– garantievoorziening
– pensioenvoorziening
niet uit de balans blijkende verplichtingen en risico’s
winst- en verliesrekening
– kosten
– resultaat
– EBIT(DA), resultaat voor belastingen, interest, afschrijving en amortisatie
kasstroomoverzicht
– operationele activiteiten
– investeringsactiviteiten
– financieringsactiviteiten
waardering en afschrijving
– actuele waarde
– herwaardering en afwaardering
– inhaalafschrijving
financiële kengetallen
– liquiditeitsrisico
– current ratio
– quick ratio
– solvabiliteitsratio
– dividendrendement
– beleggersrendement
– resultaat per aandeel
– cashflow per aandeel
– REV
– hefboomwerking en interestmarge
– RTV
– IVV
DuPont schema
– omloopsnelheid
– resultaatmarge
controleverklaring van de accountant
– wet- en regelgeving