Bel ons: 043-3210509|info@uitgeverijstoffels.nl

Lesbrieven Bedrijfseconomie Vwo

De vwo-methode bestaat uit de volgende lesbrieven:

  • Financiële Zelfredzaamheid
  • Bedrijf Starten
  • Onderneem-het-zelf
  • Personeelsbeleid en Interne Organisatie
  • Marktverovering
  • Investeren
  • Financiering en Verslaggeving
  • Het Resultaat
  • Circulair Ondernemen
  • Bedrijfseconomie@home
  • Rekenwonder
  • Boekhoudmodule

Het uitgangspunt bij alle lesbrieven is steeds een concrete context waardoor een leerling eerder een kritisch standpunt zal innemen bij bepaalde beslissingen van de directie, dan wanneer de lesbrieven zouden zijn opgebouwd volgens een wetenschappelijke indeling van de stof. Zo gaat ‘Bedrijf Starten’ over het oprichten van een meubelzaak, ‘Marktverovering’ over een fitnesscentrum en ‘Financiële Zelfredzaamheid’ over de keuzes waar twee studenten en hun familie mee te maken krijgen.

De volgorde van behandeling lesbrieven
Het is het raadzaam om te starten met ‘Financiële Zelfredzaamheid’ omdat die lesbrief het meest aansluit bij de belevingswereld van de leerlingen en een relatief lage moeilijkheidsgraad heeft. Maar beginnen met ‘Bedrijf starten’ is ook goed mogelijk. Met de lesbrief ‘Onderneem-het-zelf’ kunt u twee kanten op: of u laat de leerlingen de lesbrief helemaal aan het einde doen, immers dan hebben ze de kennis om een ondernemingsplan te schrijven; of de leerlingen beginnen met deze lesbrief en maken steeds een deel van de lesbrief, steeds wanneer leerlingen een lesbrief afgesloten hebben wordt de lesbrief weer uit de kast getrokken en voor een deel verder gemaakt. De lesbrief kan een goed startpunt zijn voor een profielwerkstuk.

De lesbrieven ‘Financiering en Verslaggeving’ en ‘Het Resultaat’ zijn als laatste lesbrieven bedoeld. De overige lesbrieven zijn min of meer vrij inzetbaar. Ze vereisen nauwelijks enige voorkennis waardoor de plaats van behandeling vrij is.

Elke lesbrief staat op zichzelf en vereist nauwelijks enige voorkennis. Echter starten met bijvoorbeeld Personeelsbeleid en Interne Organisatie of Marktverovering is niet aan te raden. Wanneer u op 4 vwo zou starten met Marktverovering dan krijgt de leerling een verkeerde indruk van wat van hem/haar verwacht wordt op het CE. Als u daarentegen start met Financiële Zelfredzaamheid of Bedrijf Starten dan heeft u (en de leerling) zo rond de herfstvakantie wel in de gaten of het CE haalbaar is. Zou u starten met Marktverovering en daarna met Financiële Zelfredzaamheid of Bedrijf Starten dan kunt u dat pas beoordelen rond de kerstvakantie en dan is een vakkenpakketwisseling bijna niet meer mogelijk.

Verder kunt u de volgende factoren een rol laten spelen bij het bepalen van de volgorde

  • afwisseling van theoretische lesbrieven en rekentechnische lesbrieven
  • het tijdstip waarop het SE moet worden afgerond, als dat bijvoorbeeld eind 5 vwo is, dan dienen de SE-lesbrieven in 4 en 5 vwo behandeld te worden
  • als u Het Rekenwonder heeft aangeschaft voor uw leerlingen, plaats deze lesbrief dan vrij vooraan dan kunnen de leerlingen de opgedane spreadsheetkennis meteen toepassen bij het maken van spreadsheetcases.
VWO
CE/SE Lesbrieven Studielasturen Lesuren¹
Financiële Zelfredzaamheid
Bedrijf Starten
Onderneem-het-zelf
Personeelsbeleid en Interne Organisatie
Marktverovering
Investeren
Financiering en Verslaggeving
Het Resultaat
CE/SE
CE/SE
CE/SE
CE/SE
CE/SE
SE
CE
CE
49
50
20
38
24
8
61
60
39
40
17
30
18
6
44
43
Totaal (excl. keuzeonderwerpen) 310 237
Keuzelesbrieven
Circulair Ondernemen
Bedrijfseconomie@home
Boekhoudmodule4)
SE
SE
SE
14
12
(37)
9
11
(40)
Basisvaardigheden
Het Rekenwonder SE 6 5
Totaal 342 262
Niet ingevuld² 98 175)
Totaal beschikbaar³ 440 279
  • 1) Studielasturen zijn uren van 60 minuten en lesuren zijn uren van 50 minuten.
  • 2) Betreft de uren van de studielast die niet ingevuld zijn en deze kunnen worden gereserveerd om extra lessen in te bouwen voor het geven van samenvattingen, extra uitleg, het bespreken van het laatste examen, het geven van extra ICT-opdrachten, het laten maken van een praktische opdracht, het meedoen aan managementgames.
  • 3) Bij het schatten van het totale aantal lesuren is verondersteld dat er 36 weken effectief les kan worden gegeven in 4 havo, 4 vwo en 5 vwo en 33 weken in de examenklassen, en dat voor M&O 3 lesuren beschikbaar zijn in 4 en 5 havo, 2 lesuren in 4 vwo en 3 uur in 5 en 6 vwo.
  • 4) Deze module is zeer flexibel inzetbaar. Indien u alles behandelt, heeft u 40 lessen nodig. Als u echter alleen de boekhoudcyclus aan de orde stelt, bent u maar 20 lessen kwijt. Het is zelfs mogelijk om deze cyclus nog minder uitgebreid te behandelen, in dat geval bent u slechts 11 lessen kwijt.
  • 5) Er wordt verondersteld dat leerlingen alle cases maken, doen ze dat niet dan houden ze tijd over.

Cases
In alle lesbrieven komt u cases tegen. De cases treft u steeds aan op het eind van een hoofdstuk. Het gaat vaak om een opdracht waarbij leerlingen niet alleen hun kennis uit het desbetreffende hoofdstuk moeten toepassen maar ook de kennis en vaardigheden uit eerdere hoofdstukken en/of lesbrieven. Indien leerlingen voor een bepaalde case een (spreadsheet)model nodig hebben dan kunnen ze dat model downloaden van de website: www.uitgeverijstoffels.nl (leerling, cases) Hoe u omgaat met de cases, kunt u zelf bepalen. U kunt bijvoorbeeld: – een case gebruiken als proefwerk; – een case gebruiken als diagnostische toets; – een case gebruiken als oefenopdracht; – een case gebruiken als groepsopdracht; – een case gebruiken als praktische opdracht (indien deze zich daarvoor leent); – een case overslaan omdat u hem niet belangrijk vindt; – een case overslaan en deze later gebruiken als de leerlingen wat meer bagage hebben; – een case gebruiken als praktische opdracht die meetelt voor het schoolexamen als de case zich daarvoor leent. Omdat de cases op vele manieren te gebruiken zijn is er voor gekozen om de uitwerkingen van de cases niet in de lesbrief maar in de docentenhandleiding op te nemen. Het is ook mogelijk om zelf als docent aan de slag te gaan en bepaalde cases om te bouwen tot een “nieuw” proefwerk, groepsopdracht of praktische opdracht. Dat is ook de reden waarom de tekst en de uitwerkingen van de cases op de docentenwebsite staan.
Centraal Examen Vwo
Voor het Centraal Examen (CE) dienen de leerlingen de volgende lesbrieven te kennen:
Financiële Zelfredzaamheid (CE/SE)
Bedrijf Starten (CE/SE)
Onderneem-het-zelf (CE/SE)
Personeelsbeleid en Interne Organisatie (CE/SE)
Marktverovering (CE/SE)
Financiering en Verslaggeving (CE)
Het Resultaat (CE)

De lesbrieven Circulair Ondernemen, Investeren en Bedrijfseconomie@home worden niet gevraagd op het CE, de stof van deze lesbrieven dient getoetst te worden op het schoolexamen (SE). Hierbij heeft de docent een grote speelruimte omdat er alleen globale eindtermen zijn geformuleerd voor het SE. Wel heeft de SLO een mogelijke invulling van het SE geschreven: Handreiking Bedrijfseconomie. Bij de invulling van de SE-onderdelen heeft Uitgeverij Stoffels zich gebaseerd op deze handreiking. Voor meer informatie ga naar: http://handreikingschoolexamen.slo.nl/bedrijfseconomie-hv.

Examenprogramma Bedrijfseconomie Vwo
Bijlage 1 Werkversie examenprogramma bedrijfseconomie, ondernemerschap en financiele zelfredzaamheid vwo
Het eindexamen
Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolexamen. Het examenprogramma bestaat de volgende domeinen:
♦ Domein A    Vaardigheden
♦ Domein B    Van persoon naar rechtspersoon
♦ Domein C    Interne organisatie en personeelsbeleid
♦ Domein D   Investeren en financieren
♦ Domein E   Marketing
♦ Domein F   Financieel beleid
♦ Domein G   Verslaggeving
♦ Domein H   Keuze-onderwerpen

Het centraal examen
Het centraal examen heeft betrekking op de (sub)domeinen A, B, C2, D2, E2, F en G zoals hieronder nader uitgewerkt.
CvTE stelt het aantal en de tijdsduur van de zittingen van het centraal examen vast. CvTE maakt indien nodig een specificatie bekend van de examenstof van het centraal examen.

Het schoolexamen
Het schoolexamen heeft betrekking op domeinen A, B en:

  • de domeinen en subdomeinen waarop het centraal examen geen betrekking heeft;
  • indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: een of meer domeinen of subdomeinen waarop het centraal examen betrekking heeft;
  • indien het bevoegd gezag daarvoor kiest: andere vakonderdelen, die per kandidaat kunnen verschillen.

De examenstof
Domein A: Vaardigheden
Algemene vaardigheden
Subdomein A1: Informatie-vaardigheden gebruiken
1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, interpreteren, selecteren en verwerken.

Subdomein A2: Communiceren
2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied.

Subdomein A3: Reflecteren op leren
3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.

Subdomein A4: Studie en beroep
4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze bedrijfseconomische en organisatorische kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.

Subdomein A5: Onderzoeken
5. De kandidaat kan in gespecificeerde contexten onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden

Vakspecifieke vaardigheden
Subdomein A6: Benaderingswijzen
6. De kandidaat kan relevante bedrijfseconomische en organisatorische aspecten van een probleem herkennen, zowel binnen een organisatie als in het persoonlijk leven.
7. De kandidaat kan bij de oplossing van een bedrijfseconomisch of organisatorisch probleem een bedrijfseconomische denkwijze gebruiken.
8. De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen een organisatie op het gebied van:

  • de interne organisatie en personeelsbeleid
  • de investeringen en financiering
  • het marketingbeleid
  • het financieel beheer
  • de verslaggeving

de bedrijfseconomische en organisatorische dimensie vanuit het perspectief van het management toepassen en analyseren.
9. De kandidaat kan bedrijfseconomische en organisatorische perspectieven en daaruit voortvloeiende belangen onderkennen van de diverse betrokkenen bij de organisatie.
10. De kandidaat kan:

  • bedrijfseconomische werkwijzen toepassen;
  • bedrijfseconomische begrippen gebruiken;
  • bedrijfseconomische grootheden gebruiken;
  • bedrijfseconomische relaties analyseren.

Domein B: Van persoon naar rechtspersoon
Subdomein B1: Persoonlijke financiële zelfredzaamheid
11. De kandidaat kan vraagstukken met persoonlijke financiële consequenties herkennen en analyseren en (financieel) onderbouwde keuzes maken.

Subdomein B2: De oprichting van een eenmanszaak
12. De kandidaat kan het proces voor en rond de oprichting van een eenmanszaak beschrijven, in de rol van ondernemer toepassen en analyseren.

Subdomein B3: Van eenmanszaak naar rechtspersoon
13. De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van verschillende rechtsvormen beschrijven.

Subdomein B4: Perspectief op de organisatie
14. De kandidaat kan de rol en plaats van de organisatie in de maatschappij beschrijven.

Domein C: Interne organisatie en personeelsbeleid
Subdomein C1: Interne organisatie
15. De kandidaat kan de interne organisatie (inclusief de taken van het management en de stijlen van leiderschap) van een organisatie beschrijven en deze relateren aan de doelstelling en aard van de organisatie.
16. De kandidaat kan de interne organisatie beschrijven en verklaren aan de hand van de belangrijkste historische en hedendaagse organisatietheorieën.

Subdomein C2: Personeelsbeleid
17. De kandidaat kan personeelsbeleid/HRM beschrijven en daarbij de relatie leggen met de doelstelling en de aard van de organisatie.

Domein D: Investeren en financieren
Subdomein D1: Investeren
18. De kandidaat kan bij een investeringsvraagstuk beschrijven welke gegevens relevant zijn, vaststellen of een investering economisch zinvol is en hierbij verschillende investeringsselectiemethoden toepassen en analyseren.
19. De kandidaat kan bij een investeringsvraagstuk de relatie leggen tussen risico en geëist rendement.

Subdomein D2: Financieren
20. De kandidaat kan vanuit het perspectief van een organisatie de werking van de vermogensmarkt beschrijven.
21. De kandidaat kan in de context van een financieringsvraagstuk de redenen voor het aantrekken van verschillende types vermogen onderscheiden.
22. De kandidaat kan aangeven welke invloed de wijze van financieren heeft op het risico en geëist rendement van het eigen en vreemd vermogen.

Domein E: Marketing
Subdomein E1: Doel en organisatie van marketingactiviteiten
23. De kandidaat kan de relatie tussen marketing en de klantwaardepropositie van de organisatie beschrijven en analyseren.
24. De kandidaat kan marketing beschrijven en analyseren met het oog op de te onderscheiden doelgroepen.

Subdomein E2: Marketingbeleid
25. De kandidaat kan het marketingbeleid van een organisatie beschrijven, analyseren en alternatieven op hoofdpunten afwegen.

Subdomein E3: Marketing vanuit het perspectief van de consument en de samenleving
26. De kandidaat kan marketing en marketinguitingen vanuit het perspectief van de consument herkennen, beschrijven en analyseren op psychologische effecten. Hij kan deze effecten op ethische aspecten evalueren.
27. De kandidaat kan herkennen, beschrijven en analyseren welke rol marketing speelt in de samenleving.

Domein F: Financieel beleid
Subdomein F1: Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie
28. De kandidaat kan financiële feiten inventariseren en verwerken tot financiële overzichten.
29. De kandidaat kan financiële en niet-financiële informatie onderscheiden en het belang van beide uitleggen voor het besturen van de organisatie.

Subdomein F2: Kosten- en winstvraagstukken en beheermaatregelen
30. De kandidaat kan met behulp van diverse methoden de kostprijs berekenen en de verkoopprijs vaststellen.
31. De kandidaat kan voor een niet-industriële organisatie de voorcalculatorische en de nacalculatorische resultatenrekening opstellen, verschillen verklaren en passende beheermaatregelen afleiden.

Domein G: Verslaggeving
32. De kandidaat kan de jaarrekening van een organisatie (zoals een MKB-bedrijf) analyseren en evalueren.

Domein H: Keuze-onderwerpen

SPECIFICATIE GLOBALE EINDTERMEN
De globale eindtermen van het examen zijn voor de domeinen die betrekking hebben op het centraal examen nader gespecificeerd door de CvTE. Deze gespecificeerde eindtermen treft u voor wat betreft domein A hier aan. De specificatie van de overige domeinen voor het CE staan bij de lesbrieven. Voor de globale eindtermen van het schoolexamen is er geen explicitering, wel is er een handreiking geschreven door de SLO waarin ideeën staan voor een mogelijke invulling van het schoolexamen. Scholen hebben dus veel vrijheid bij de invulling van het schoolexamen waarbij natuurlijk wel voldaan moet worden aan de globale eindtermen die vermeld staan bij de domeinen A, B, C1, D1, E1 en H. Het gebruik van ICT is in het nieuwe programma niet langer verplicht.
In de syllabus zijn de globale eindtermen van het CE geëxpliciteerd, daarbij is gebruik gemaakt van de beheersingsniveaus en handelingswerkwoorden.

Beheersingsniveau Omschrijving Samenvattend/
overkoepelend
handelingswerkwoord in
gespecificeerde eindterm
Staat voor de handelingswerkwoorden
Memoriseren Ophalen van relevante kennis uit
het geheugen en zowel monde-
ling, geschreven als grafisch
kunnen laten zien.
Noemen noemen, herkennen, aanwijzen, definiëren,
vinden, kiezen, onderstrepen, invullen,
citeren, arceren
Begrijpen De betekenis achterhalen van informatie, zowel mondeling, geschreven als grafische informatie. De betekenis kunnen verbinden met andere kennis, voorbeelden geven etc. Uitleggen verklaren, verhelderen, beschrijven, voorbeelden geven, toelichten, uitleggen, onderbouwen, aantonen
Toepassen Elementen uit ‘memoriseren’ en ‘begrijpen’ hanteren in nieuwe situaties; kiezen van de juiste regels, schema’s, begrippen enz Berekenen
Opstellen
hanteren, een overzicht geven, schatten,
voorspellen, vormgeven, vragen formu-
leren
Analyseren Materiaal/bronnen in stukjes verdelen en ontdekken hoe de stukjes gerelateerd zijn tot elkaar en tot een overall structuur. Analyseren vergelijken, selecteren, indelen, kenmerken bepalen, determineren, structureren, ontleden
Evalueren Tot een afgewogen eindoordeel komen, hier een uitspraak over doen, een besluit nemen. Beoordelen bekritiseren, testen, beoordelen, doorlichten, afwegen
Creëren Elementen samenvoegen tot een coherent geheel of een origineel product. Adviseren rapporteren, hypothese opstellen, adviseren, ontwerpen, construeren, maken

Specificatie van de eindtermen voor het CE

Domein A: Vaardigheden

Domein A wordt in combinatie met domein B, C2, D2, E2, F en G in het CE getoetst.

Subdomein A1: Informatievaardigheden gebruiken

1. De kandidaat kan doelgericht informatie zoeken, interpreteren, selecteren en verwerken.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat in gegeven (bedrijfseconomische) contexten relevante informatie moet kunnen analyseren en beoordelen.
In dat verband kan de kandidaat
1.1 in relatie tot een gegeven (onderzoeks)vraag informatie beoordelen en daarbij:
(a) de informatiebehoefte noemen
(b) beschikbare en relevante informatiebronnen analyseren
1.2 verworven en/of gegeven informatie vanuit een gegeven (onderzoeks)vraag analyseren en daarbij:
(a) informatie beoordelen op bruikbaarheid, betrouwbaarheid en representativiteit
(b) informatie analyseren (eventueel rekenkundig), mede met behulp van ICT.

Subdomein A2: Communiceren

2. De kandidaat kan adequaat schriftelijk, mondeling en digitaal in het publieke domein communiceren over onderwerpen uit het desbetreffende vakgebied.

Subdomein A3: Reflecteren op leren

3. De kandidaat kan bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces.

Subdomein A4: Studie en beroep

4. De kandidaat kan aangeven op welke wijze bedrijfseconomische en organisatorische kennis in studie en beroep wordt gebruikt en kan mede op basis daarvan zijn belangstelling voor studies en beroepen onder woorden brengen.

Subdomein A5: Onderzoeken

5. De kandidaat kan in contexten onderzoek op basis van vraagstellingen uitvoeren en conclusies trekken uit de onderzoeksresultaten. De kandidaat maakt daarbij gebruik van consistente redeneringen en relevante rekenkundige en wiskundige vaardigheden.

Voor het centraal examen gaat het daarbij om het analyseren en adviseren op basis van de resultaten van een voorgestructureerd bedrijfseconomisch onderzoek.

In dat verband kan de kandidaat

5.1          verschillende typen (onderzoeks)vragen noemen en zelfstandig (onderzoeks)vragen opstellen en daarbij onderscheid maken tussen:

  • beschrijvende/beeldvormende (onderzoeks)vragen
  • analytisch/verklarende (onderzoeks)vragen
  • (onderzoeks)vragen met het oog op waardering/standpuntbepaling;

5.2 op basis van consistente redeneringen:
(a) conclusies opstellen ten aanzien van een (onderzoeks)vraag en deze uitleggen.
(b) een advies uitbrengen en dit uitleggen en daarbij:
♦ onderscheid maken tussen

  • gegevens (data) en informatie
  • feiten en meningen
  • oorzaak en gevolg
  • probleem en oplossing

♦ in het geding zijnde waarden noemen
♦ eigen opvattingen analyseren
♦ mogelijke consequenties van een standpunt beoordelen
♦ een beargumenteerd standpunt opstellen

5.3   berekeningen maken met behulp van relevante rekenkundige en grafische vaardigheden, rekening houdend met:
(a) verbale, grafische tabellarische en wiskundige/rekenkundige gegevens analyseren, mede met gebruikmaking van ICT.
(b) de gegevens rekenkundig en/of grafisch uitleggen:

  • basisrekenvaardigheden in bedrijfseconomische vraagstukken zoals :
  1. rekenregels optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen
  2. positieve en negatieve getallen/breuken/decimalen
  3. procenten, promillen en percentages
  4. onderscheid procentuele mutatie en procentpunt verandering
  • vergelijkingen, beschrijvende statistiek en grafieken in bedrijfseconomische vraagstukken zoals:
  1. werken met eerstegraadsvergelijkingen
  2. werken met assenstelsels (X en Y)
  3. waarden bepalen en grafieken tekenen en/of bewerken
  4. berekeningen maken op basis van grafieken
  5. indexcijfers
  6. diagrammen
  7. tabellen: rijen/kolommen
  8. machten
  9. gemiddelden: gewogen en ongewogen

Subdomein A6: Benaderingswijzen

6. De kandidaat kan relevante bedrijfseconomische en organisatorische aspecten van een probleem herkennen, zowel binnen een organisatie als in het persoonlijk leven.

Voor het centraal examen betekent dit het noemen van bedrijfseconomische en organisatorische aspecten van een probleem, zowel binnen een organisatie als in het persoonlijk leven.
7. De kandidaat kan bij de oplossing van een bedrijfseconomisch of organisatorisch probleem een bedrijfseconomische denkwijze gebruiken.

Voor het centraal examen betekent dit het opstellen van een bedrijfseconomische denkwijze bij de oplossing van een bedrijfseconomisch of organisatorisch probleem.
8. De kandidaat kan bij veel voorkomende vraagstukken binnen een organisatie op het gebied van:

  • de interne organisatie en personeelsbeleid
  • de investeringen en financiering
  • het marketingbeleid
  • het financieel beleid
  • de verslaggeving

de bedrijfseconomische en organisatorische dimensie vanuit het perspectief van het management toepassen en analyseren.

Voor het centraal examen betekent dit het analyseren en beoordelen van de bedrijfseconomische en organisatorische dimensie van deze vraagstukken.
9. De kandidaat kan bedrijfseconomische en organisatorische perspectieven en daaruit voortvloeiende belangen onderkennen van de diverse betrokkenen bij de organisatie.

Voor het centraal examen betekent dit dat de kandidaat deze perspectieven en belangen kan noemen.

In dat verband kan de kandidaat

9.1 bedrijfseconomische perspectieven noemen die de diverse betrokkenen bij de organisatie kunnen hebben;

9.2 bedrijfseconomische belangen noemen die uit de verschillende perspectieven kunnen voortvloeien.

10. De kandidaat kan:

  • bedrijfseconomische werkwijzen toepassen;
  • bedrijfseconomische begrippen gebruiken;
  • bedrijfseconomische grootheden gebruiken;
  • bedrijfseconomische relaties analyseren.

Voor het centraal examen gaat het daarbij om het opstellen van bedrijfseconomische werkwijzen, het uitleggen van bedrijfseconomische begrippen en grootheden en het analyseren van bedrijfseconomische relaties.