Bel ons: 043-3210509|info@uitgeverijstoffels.nl
DE EENMANSZAAK DEEL 1 VWO 7e druk
les Maken door leerling les Maken door leerling les Maken door leerling les Maken door leerling
1 opdracht 1 t/m 5 13 Case 2 25 83 t/m 85 37 113 en 114
2 6 t/m 12 14 45 t/m 52 26 86 t/m 91 38 115 en 116
3 13 t/m 17 15 53 t/m 57 27 92 t/m 94 39 116 en 117
4 18 t/m 22 16 58 t/m 64 28 95 t/m 100 40 118
5 22 t/m 25 17 65 t/m 67 29 101 en 102 41 119
6 26 t/m 33 18 D-toets 30 103 t/m 106 42 120 en 121
7 34 t/m 39 19 Case 3 31 107 t/m 110 43 122
8 40 t/m 43 20 68 en 69 32 111 en 112 44 D-toets
9 44 en D-toets 21 70 en D-toets 33 D-toets 45 Case 6 of case 7
10 D-toets 22 71 t/m 74 34 D-toets / Case 4 46 Case 6 of case 7
11 Case 1 23 75 t/m 79 35 Case 4 47 Case 6 of case 7
12 Case 1 24 80 t/m 82 36 Case 5 48 123 t/m 127
DE EENMANSZAAK DEEL 1 VWO 6e druk
les Maken door leerling les Maken door leerling les Maken door leerling les Maken door leerling
1 opdracht 1 t/m 5 13 Case 2 25 88 t/m 90 37 118 en 119
2 6 t/m 12 14 49 t/m 56 26 91 t/m 96 38 120 en 121
3 13 t/m 17 15 57 t/m 61 27 97 t/m 99 39 121 en 122
4 18 t/m 23 16 62 t/m 68 28 100 t/m 105 40 123
5 23 t/m 26 17 69 t/m 72 29 106 en 107 41 124
6 27 t/m 36 18 D-toets 2 30 108 t/m 111 42 125 en 126
7 37 t/m 42 19 Case 3 31 112 t/m 115 43 127
8 43 t/m 46 20 73 en 74 32 116 en 117 44 D-toets 5
9 47 en 48 21 75 en D-toets 3 33 D-toets 4 45 Case 6 of Case 7
10 D-toets 1 22 76 t/m 79 34 D-toets 4, Case 4 46 Case 6 of Case 7
11 D-toets 1, Case 1 23 80 t/m 84 35 Case 4 47 Case 6 of Case 7
12 Case 1 24 85 t/m 87 36 Case 5 48 128 t/m 132
Studielast De Eenmanszaak Deel 1 vwo
Doorwerken van de lesbrief 40 uur
Studeren1) 12 uur
Proefwerken maken 3 uur en 30 minuten
Bespreken proefwerken 3 uur en 30 minuten
Extra vaardigheidsopdrachten p.m.
Totaal 59 uur
1) Het betreft hier de tijd die nodig is voor het eventueel maken van een samenvatting, het bestuderen van de stof voor toetsen, school- en centraal examen.
EINDTERMEN DE EENMANSZAAK DEEL 1 VWO 7e druk
DOMEIN C: FINANCIERING VAN ACTIVITEITEN
Subdomein C1: Rechtsvormen
C1  8.1 De kandidaat kan de verschillende rechtsvormen beschrijven die commerciële en niet-commerciële organisaties kunnen kiezen en verklaren waarom de organisatie voor een bepaalde rechtsvorm kiest.
De kandidaat kan:
C1  8.1 het begrip rechtsvorm noemen.
C1  8.3 de rechtsvormen (vereniging, stichting,) eenmanszaak, vennootschap onder firma (openbare vennootschap), (naamloze vennootschap, besloten vennootschap) beschrijven.
C1  8.4 kenmerken van de genoemde rechtsvormen noemen.
C1  8.5 voor- en nadelen van de genoemde rechtsvormen met betrekking tot de ondernemingscontinuïteit, de financiering, de juridische aansprakelijkheid, de belasting, de leiding, de besluitvorming en de zeggenschap beschrijven.
C1  8.6 de keuze door een organisatie voor een bepaalde rechtsvorm verklaren.
C1  8.12 de procedure rond de oprichting van een organisatie onder een van de genoemde rechtsvormen beschrijven.
Subdomein C2: Aantrekken van geld
C2  9 De kandidaat kan:
• de werking van de vermogensmarkt beschrijven vanuit het perspectief van particulieren, commerciële organisaties en niet-commerciële organisaties;
• verklaren welke mogelijkheden, beperkingen en redenen er zijn voor particulieren, commerciële en niet-commerciële organisaties voor het aantrekken van vermogen;
• de keuze voor het aantrekken van het vermogen cijfermatig ondersteunen.
C2  9.9 de begrippen lineaire hypotheek, spaarhypotheek en annuïteitenhypotheek noemen.
C2  9.10 de voor- en nadelen noemen van de genoemde hypotheekvormen met betrekking tot de te betalen aflossing, interest en premie inclusief de fiscale consequenties.
C2  9.11 berekenen welke voor- en nadelen de genoemde hypotheekvormen in een gegeven situatie bieden.
C2  9.12 de vormen van consumptief krediet noemen: huurkoop, koop op afbetaling, persoonlijke lening en doorlopend krediet.
C2  9.13 kenmerken van huurkoop, koop op afbetaling, persoonlijke lening en doorlopend krediet noemen.
C2  9.14 voor- en nadelen van huurkoop, koop op afbetaling, persoonlijke lening en doorlopend krediet voor de geldgever en geldnemer noemen.
C2  9.15  verschillende vormen van lang vreemd vermogen noemen: hypothecaire lening, onderhandse lening, gewone obligatielening.
C2  9.16  beschrijven hoe de genoemde vormen van lang vreemd vermogen ontstaan.
C2  9.17  de verschillende vormen van kort vreemd vermogen noemen: bankkrediet (rekening-courant krediet), leverancierskrediet en afnemerskrediet.
C2  9.18 beschrijven hoe de genoemde vormen van kort vreemd vermogen ontstaan.
C2  9.21 het begrip interest noemen.
C2  9.22 de begrippen enkelvoudige interest en samengestelde interest noemen.
C2  9.23 de enkelvoudige interest met periodiek gelijke aflossingsbedragen berekenen.
C2  9.24 de begrippen lening met periodiek gelijke aflossingsbedragen en lening met aflossing ineens noemen.
C2  9.25 de periodieke interestbedragen, de periodieke aflossingsbedragen en schuldrest bij een lening met periodiek gelijke aflossingsbedragen berekenen.
C2  9.26 de periodieke interestbedragen bij een lening met aflossing ineens berekenen.
C2  9.27 de eindwaarde van één bedrag of meerdere gelijke bedragen op basis van samengestelde interest berekenen.
C2  9.28 de contante waarde van één bedrag of meerdere gelijke bedragen op basis van samengestelde interest berekenen.
DOMEIN E: FINANCIEEL BELEID
Subdomein E2: Financieel beleid in commerciële organisaties: niet-productieonderneming
 E2  13  De kandidaat kan:
• op basis van algemene modellen de verkoopprijs berekenen;
• de uitgaven en ontvangsten herleiden tot kosten en opbrengsten, een liquiditeitsbegroting en de voorcalculatorische en nacalculatorische resultatenrekening opstellen en de samenhang verklaren;
• berekeningen uitvoeren die gericht zijn op de herleiding of vaststelling van data van een algemeen model voor de interne verslaggeving.
De kandidaat kan:
E2  13.1 berekenen hoe groot de kosten per periode zijn die voortvloeien uit uitgaven die op tijdstippen worden verricht.
E2  13.2 berekenen hoe groot de kosten in een bepaalde periode zijn die voortvloeien uit kosten die per periode berekend zijn.
E2  13.3 berekenen hoe groot de opbrengsten per periode zijn die voortvloeien uit ontvangsten die op tijdstippen plaatsvinden.
E2  13.4 berekenen hoe groot de opbrengsten in een bepaalde periode zijn die voortvloeien uit opbrengsten die per periode berekend zijn.
E2  13.25 noemen welke posten op de interne balans voor kunnen komen en deze posten met een voorbeeld illustreren (zie paragraaf 2.1 van bijlage 2).
E2  13.26 opbouw van een reeds vastgestelde interne balans beschrijven en de posten herkennen en toelichten.
E2  13.27 een keuze maken tussen gegevens bestemd voor de resultatenrekening en gegevens bestemd voor de balans en op basis van de correcte gegevens een balansopstelling maken met behulp van de geëigende categorisering.
E2  13.34 verklaren waarom de uitgaven voor de aanschaf en installatie van duurzame activa worden getransformeerd tot kosten die op bepaalde perioden drukken.
E2  13 35 beschrijven hoe de uitgaven voor de aanschaf en installatie van duurzame activa via kosten per periode worden getransformeerd tot kosten die op een bepaalde periode drukken.
E2  13.36 met behulp van het systeem van een vast percentage van de aanschafwaarde berekenen hoe groot de kosten zijn die in een bepaalde periode samenhangen met de waardedaling van de vaste activa.
E2  13.37 berekenen hoe groot de balanswaarde is van de duurzame vaste activa waarop met een vast percentage van de aanschafwaarde wordt afgeschreven.
E2  13.45 een liquiditeitsbegroting van maximaal vier perioden maken die een verklaring geeft voor de mutaties in de liquide middelen.
E2  13.46 een resultatenbegroting opstellen.
E2  13.47 beschrijven hoe de samenhang is tussen een resultatenbegroting, een voorcalculatorische eindbalans en een liquiditeitsbegroting, gegeven de beginbalans.
E2  13.48 het saldo tussen ontvangsten en uitgaven uitwerken in de mutatie van de post liquide middelen, dan wel in de post vreemd vermogen op de balans.
E2  13.49 controleren of de liquiditeitsbegroting hetzelfde saldo aan liquide middelen oplevert als de balans.