DE INDUSTRIE VWO 5e druk
les Maken door leerling les Maken door leerling les Maken door leerling les Maken door leerling
1 opdracht 1 t/m 5 11 D-toets 1 21 D-toets 2 31 Case 5
2 6 t/m 9 12 Case 1 22 D-toets 2 32 Case 6
3 10 t/m 12 13 Case 2 23 Case 3 33 54 t/m 57
4 13 t/m 16 14 29 en 30 24 43 t/m 46 (deels) 34 D-toets 4, 58 en 59
5 17 t/m 19 15 31 t/m 33 (deels) 25 46 (rest) t/m 49 35 60 t/m 62
6 20 t/m 23 16 33 (rest) en 34 26 50 36 D-toets 5
7 24 en 25 17 35 en 36 27 51 en 52 37 63 t/m 66
8 26 18 37 en 38 (deels) 28 53 38 uitloop
9 27 en 28 19 38 (rest) en 39 29 D-toets 3
10 D-toets 1 20 40 t/m 42 30 Case 4
Studielast De Industrie vwo
Doorwerken van de lesbrief: 38 x 50/60 31 uur en 40 minuten
Studeren1) 15 uur
Proefwerken maken 3 uur en 20 minuten
Bespreken proefwerken 1 uur en 40 minuten
Extra vaardigheidsopdrachten p.m.
Totaal 52 uur
1) Het betreft hier de tijd die nodig is voor het maken van een samenvatting, het bestuderen van de stof voor proefwerken, school- en centraal examen.
EINDTERMEN DE INDUSTRIE VWO 5e druk
eeeeeeeeeee
DOMEIN E: FINANCIEEL BELEID
Subdomein E3: Financieel beleid in commerciële organisaties: productieondernemingen
E3  14 De kandidaat kan:
• op basis van algemene modellen voor een bedrijf met stukproductie of voor een bedrijf met homogene massaproductie de fabricagekostprijs, de commerciële kostprijs en de verkoopprijs samenstellen en daarbij onderscheid maken tussen werkelijke kosten en toegestane kosten;
• de ontwikkeling in de resultaten analyseren, zowel met behulp van gegevens uit interne als uit externe verslaggeving;
• op grond van geformuleerde doelstellingen geplande investeringen selecteren;
• de balans en de resultatenrekening zowel ten behoeve van de externe als ten behoeve van de interne verslaggeving opstellen en de relatie tussen de interne en externe verslaggeving analyseren en beschrijven.
De kandidaat kan
E3  14.1 beschrijven hoe de transformatie van uitgaven op tijdstippen, via toegestane kosten per periode en toegestane kosten per eenheid product verloopt tot de kosten in een bepaalde periode die samenhangt met de afzet.
E3  14.2 berekenen hoe groot de toegestane kosten per periode zijn die voortvloeien uit uitgaven die op tijdstippen worden verricht.
E3  14.3 berekenen hoe groot de toegestane kosten per eenheid product zijn die voortvloeien uit de toegestane kosten per periode en uit het aantal producten per periode waarop die kosten betrekking hebben.
E3  14.4 berekenen hoe groot de afzet tegen kostprijs in een bepaalde periode is, die voortvloeit uit de toegestane kosten per eenheid product en de afzet in een bepaalde periode.
E3  14.5 beschrijven wat het verschil is tussen werkelijke kosten en toegestane kosten dat nacalculatorisch kan optreden.
E3  14.6 beschrijven wat het verschil is tussen de verwachte werkelijke kosten en de verwachte toegestane kosten dat voorcalculatorisch kan optreden.
E3  14.7 verklaren waarom het verschil tussen toegestane kosten en werkelijke kosten van belang is voor het management.
E3  14.8 verklaren waarom een nadere uitsplitsing van toegestane en werkelijke kosten naar kostencategorieën en naar efficiëntie-, bezettings- en prijsresultaten van belang is voor het management.
E3  14.9 verklaren waarom het economisch rationeel is om bij homogene productie de toegestane kosten nauwkeuriger te berekenen dan bij stukproductie.
E3  14.10 berekenen wat de gewenste verkoopprijs van een product (inclusief btw) is op basis van een calculatie bij heterogene productie (model 3.4).
E3  14.11 berekenen hoe groot de opslagpercentages voor de toegestane indirecte kosten zijn op basis van de toegestane directe en indirecte kosten voor een periode.
E3  14.12 aangeven hoe de berekening verloopt van de gewenste verkoopprijs van een product (inclusief btw) op basis van een calculatie bij heterogene productie (model 3.4).
E3  14.13 aangeven hoe de berekening verloopt van de opslagpercentages voor de toegestane indirecte kosten op basis van de toegestane directe en indirecte kosten voor een periode.
E3  14.14 herleiden welk opslagpercentage voor de winst een ondernemer kan hanteren als de kostprijs en de verkoopprijs inclusief btw van een concurrent bekend zijn (model 3.4).
E3  14.15 herleiden hoe hoog de kostprijs mag zijn als het opslagpercentage voor de winst en de verkoopprijs inclusief btw van een concurrent bekend zijn (model 3.4).
E3  14.16 binnen een zinvolle economische context herleiden welke waarde een bepaalde grootheid uit het berekeningsschema van de kostprijs mag aannemen als de kostprijs vaststaat en als bekend is welke waarden de andere componenten van de kostprijsberekening hebben (model 3.4).
E3  14.17 aangeven hoe de herleiding verloopt van de waarde van een bepaalde grootheid uit het berekeningsschema van de kostprijs als de kostprijs vaststaat en als bekend is welke waarden de andere componenten van de kostprijsberekening hebben (model 3.4).
E3  14.18 berekenen wat de gewenste verkoopprijs van een product (inclusief btw) is op basis van een calculatie bij homogene productie (model 3.2 waarin de formule Cs / Np + Vs / Bp staat en onder de aanname dat er geen voorraadmutaties zijn).
E3  14.19 aangeven hoe de berekening verloopt van de gewenste verkoopprijs van een product (inclusief btw) op basis van een calculatie bij homogene productie (model 3.2 waarin de formule Cs / Np + Vs / Bp staat en onder de aanname dat er geen voorraadmutaties zijn).
E3  14.20 herleiden welk opslagpercentage voor de winst een ondernemer kan hanteren als de standaardkostprijs bekend is en als bekend is welke verkoopprijs inclusief btw door een concurrent wordt gevraagd (model 3.2).
E3  14.21 herleiden hoe hoog de standaardkostprijs mag zijn als het opslagpercentage voor de winst bekend is en als bekend is welke verkoopprijs inclusief btw door een concurrent wordt gevraagd (model 3.2).
E3  14.22 binnen een zinvolle economische context herleiden welke waarde een bepaalde grootheid uit het berekeningsschema van de kostprijs mag aannemen als de kostprijs vaststaat en als bekend is welke waarden de andere componenten van de kostprijsberekening hebben (model 3.2).
E3  14.23 aangeven hoe de berekening verloopt van de waarde van een bepaalde grootheid uit het berekeningsschema van de kostprijs als de kostprijs vaststaat en als bekend is welke waarden de andere componenten van de kostprijsberekening hebben (model 3.2).
E3  14.24 een keuze maken uit potentieel relevante data (i.c. toegestane constante kosten, werkelijke constante kosten, toegestane variabele kosten, werkelijke variabele kosten, normale productie, begrote productie en werkelijke productie) om tot een juiste berekening van de standaardkostprijs te komen.
E3  14.25 bedrijfskosten uitsplitsen in fabricagekosten en verkoopkosten ten einde onderscheid te kunnen maken tussen de fabricagekostprijs en de commerciële kostprijs.
E3  14.26 beschrijven hoe de termen ‘fabricagekosten’ en ‘verkoopkosten’ verzamelnamen zijn voor kostencategorieën die een verbijzonderingsproces ondergaan.
E3  14.27 beschrijven welke verschillende betekenissen de term ‘verkoopkosten’ kan hebben, al naar gelang de term verwijst naar ‘kosten van de verkoop exclusief marketingkosten’, ‘kosten van de verkoop inclusief marketingkosten’ en ‘alle kosten die niet onder de fabricagekosten vallen’. Initiële kosten e.d. blijven buiten beschouwing.
E3  14.28 opstellen van een voorcalculatorische resultatenrekening op basis van prognoses van de verkoopprijs, de afzet en de verwachte werkelijke kosten.
E3  14.29 aangeven hoe de berekening verloopt van het saldo van een voorcalculatorische resultatenrekening op basis van prognoses van de verkoopprijs, de afzet en de verwachte werkelijke kosten.
E3  14.30 de gewenste afzet berekenen bij gegeven constante kosten, verwachte winst, verkoopprijs en proportioneel variabele kosten per eenheid product.
E3  14.31 aangeven hoe de berekening verloopt van de waarde van de gewenste afzet bij gegeven constante kosten, verwachte winst, verkoopprijs en proportioneel variabele kosten per eenheid product.
E3  14.32 op twee verschillende grafische wijzen de berekening van de gewenste afzet uitbeelden bij gegeven constante kosten, gewenste winst, verkoopprijs en proportioneel variabele kosten per eenheid product.
E3  14.33 de gewenste verkoopprijs berekenen bij gegeven constante kosten, gewenste winst, afzet en proportioneel variabele kosten per eenheid product.
E3  14.34 aangeven hoe de berekening verloopt van de waarde van de gewenste verkoopprijs bij gegeven constante kosten, gewenste winst, afzet en proportioneel variabele kosten per eenheid product.
E3  14.35 verklaren waarom een intern verslag meer informatie kan bevatten dan een extern verslag. Hij kan ook verklaren waarom informatie over het verschil tussen werkelijke kosten en toegestane wel van belang is voor het interne verslag en niet voor het externe verslag.
E3  14.36 verklaren waarom de standaardkostprijs van belang is om tot een goed intern verslag te komen.
E3  14.37 een keuze maken uit potentieel relevante data om tot een juiste opstelling van de interne resultatenrekening te komen in een bedrijf met homogene productie.
E3  14.38 het nacalculatorische bedrijfsresultaat van een bedrijf met homogene productie uitsplitsen in het gerealiseerde verkoopresultaat en het gerealiseerde budgetresultaat (model 3.3 en onder de aanname dat er geen voorraadmutaties zijn en dat er geen onderhanden werk is).
E3  14.39 een controleberekening van het nacalculatorische bedrijfsresultaat in een bedrijf met homogene productie maken door de gerealiseerde omzet te confronteren met de werkelijke constante en variabele kosten die betrekking hebben op de omzet.
E3  14.40 het voorcalculatorische bedrijfsresultaat in een bedrijf met homogene productie uitsplitsen in het verwachte verkoopresultaat en het verwachte budgetresultaat (onder de aanname dat er geen voorraadmutaties zijn en dat er geen onderhanden werk is en dat het budgetresultaat uitsluitend bestaat uit een bezettingsresultaat op constante kosten).
E3  14.41 een controleberekening maken van het voorcalculatorische bedrijfsresultaat in een bedrijf met homogene productie door de verwachte omzet te confronteren met de verwachte werkelijke constante en variabele kosten die betrekking hebben op de omzet.
E3  14.42 een controleberekening maken van het voorcalculatorische budgetresultaat in een bedrijf met homogene productie op basis van de berekening van het bezettingsresultaat met het uurtarief volgens de formule (Wu – Nu) x (Cs / Nu).
E3  14.43 een keuze maken uit potentieel relevante data om tot een juiste opstelling van de nacalculatorische interne resultatenrekening te komen in een bedrijf met heterogene productie.
E3  14.44 het nacalculatorische bedrijfsresultaat van een bedrijf met heterogene productie uitsplitsen in het gerealiseerde verkoopresultaat en het gerealiseerde budgetresultaat, met aansluitend de uitsplitsing naar het budgetresultaat op directe kosten en het budgetresultaat op indirecte kosten (model 3.5 en onder de aanname dat er geen voorraadmutaties zijn en dat er geen onderhanden werk is).
E3  14.45 een controleberekening van het nacalculatorische bedrijfsresultaat in een bedrijf met heterogene productie maken door de gerealiseerde omzet te confronteren met de werkelijke directe en indirecte kosten die betrekking hebben op de omzet.
E3  14.46 het variabele kostenbudgetteringssysteem hanteren om per kostencategorie die in de standaardkostprijs is opgenomen, een nacalculatorisch budget vast te stellen.
E3  14.47 voor een bedrijf met homogene productie een uitsplitsing maken van het nacalculatorische resultaat per categorie van variabele kosten naar efficiëntie- en prijsverschillen.
E3  14.48 voor een bedrijf met homogene productie een uitsplitsing maken van het nacalculatorische resultaat per categorie constante kosten naar bezettingsverschillen en prijsverschillen.
E3  14.49 beschrijven welke beleidsbeslissingen het management kan koppelen aan de gevonden resultaten per kostencategorie.
E3  14.50 noemen welk posten op de interne balans voor kunnen komen en deze posten met een voorbeeld illustreren (zie paragraaf 3.1 van aanhangsel 2).
E3  14.51 de opbouw van een reeds vastgestelde interne balans beschrijven en de posten herkennen en toelichten.
E3  14.52 een keuze maken tussen gegevens bestemd voor de resultatenrekening en gegevens bestemd voor de balans en op basis van de correcte gegevens een balansopstelling maken met behulp van de geëigende categorisering.
E3  14.53 op basis van de standaard fabricagekostprijs berekenen hoe groot de balanswaarde van de resterende voorraad is.
E3  14.54 op basis van de individuele FIFO-methode voor de verwerkte grondstoffen berekenen hoe groot de balanswaarde van de voorraad is.
E3  14.55 op basis van de individuele LIFO-methode voor de verwerkte grondstoffen berekenen hoe groot de balanswaarde van de voorraad is.
E3  14.56 op basis van de vervangingswaardemethode voor de verwerkte grondstoffen berekenen hoe groot de balanswaarde van de resterende voorraad is.
E3  14.57 beschrijven wat de voor- en nadelen zijn van de afzonderlijke waarderingsmethoden.
E3  14.58 verklaren waarom een bedrijf bij beperkte schommelingen in de prijzen bij voorkeur werkt met een standaard fabricagekostprijs.
E3  14.59 berekenen hoe groot de balanswaarde, op basis van de historische aanschafwaarde, is van de duurzame vaste activa waarop met een vast percentage van de aanschafwaarde wordt afgeschreven.
DOMEIN G: EXTERNE FINANCIËLE VERSLAGGEVING
Subdomein G3 Verslaggeving door commerciële organisaties: productieondernemingen
G17 De kandidaat kan:
• de begroting en de jaarrekening van commerciële en niet-commerciële organisaties analyseren zoals deze worden voorgelegd aan medezeggenschapsraden, ondernemingsraden en leden- of aandeelhoudersvergaderingen.
• een balans en de resultatenrekening voor het externe verslag opstellen en uit potentiële data de relevante grootheden kiezen.
De kandidaat kan:
G3  17.25 de posten op de winst-& verliesrekening van het algemene model (zie paragraaf 3.2 van aanhangsel 2) noemen.
G3  17.26 de onderlinge samenhang van de termen van het algemene model van de balans en de winst- & verliesrekening (zie paragraaf 3.1 en 3.2 in aanhangsel 2) verklaren.
G3  17.27 de grondslagen voor de resultatenbepaling beschrijven.
G3  17.29 aan de hand van gegeven informatie een winst- & verliesrekening opstellen volgens het algemene model (zie paragraaf 3.2 in aanhangsel 2).
G3  17.30 de verschillen verklaren tussen de interne en externe verslaggeving.
Dit geldt zowel voor de balans als de winst- & verliesrekening. Met name de waarderingsgrondslagen en de renteverwerking in de resultatenrekening.
De fiscale balans en winst- & verliesrekening wordt uitgesloten.
G3  17.35 de toepassing verklaren van de terugverdientijd bij de investeringsselectie.
G3  17.36 de terugverdientijd van een of meer investeringsprojecten berekenen aan de hand van een meerjarig kasstroomoverzicht van deze projecten.
G3  17.37 de toepassing van de netto-contante waarde methode bij de investeringsselectie verklaren.
G3  17.38 de netto-contante waarde van een of meer investeringsprojecten berekenen aan de hand van een meerjarig kasstroomoverzicht van deze projecten.
G3  17.39 op basis van de terugverdientijd en/of de netto-contante waarde analyseren welk investeringsproject de voorkeur zal verdienen.