Lesbrieven: studie- en werkboek tegelijk

Alle lesbrieven van de methode zijn losbladig en worden geleverd in een multo-ponsing (23-gaats) uitvoering. Theorie en opdrachten zijn op een dusdanige wijze verstrengeld dat het maken van de opdrachten in een apart schrift niet nodig is. In het lesmateriaal wordt veel gewerkt met voorgedrukte antwoordschema’s, bovendien is er in de kantlijn steeds ruimte gecreëerd voor het maken van opdrachten en aantekeningen.

Behandeling theorie in context

Er wordt steeds geprobeerd om de theorie in een context te plaatsen en niet versnipperd te behandelen waardoor leerlingen niet meer weten waarom ze iets leren. Zo gaat de lesbrief ‘Bedrijf Starten’ bijvoorbeeld over een meubelzaak. Er is dus niet gekozen voor een op de wetenschap gerichte indeling van de stof. Het behandelen van theorie in een context staat centraal in domein B van het nieuwe examenprogramma.

Flexibel inzetbaar

Door te werken met lesbrieven is de methode flexibel inzetbaar. Hierdoor kunt u uw eigen volgorde van behandeling bepalen. Er zijn 2 keuzelesbrieven (SE), 1 SE-lesbrief, 2 CE-lesbrieven en 5 CE/SE-lesbrieven.

Boekenfonds overbodig

Lesbrieven kunt u niet opnemen in een boekenfonds en dat heeft als voordeel dat u niet drie of vier jaar vastzit aan de methode, u kunt de methode elk jaar vervangen. Bovendien loopt u niet jaren aan tegen kleine foutjes die in een bepaalde druk staan, de lesbrieven kunnen in principe elk jaar worden aangepast. Eventuele wijzigingen in het examenprogramma worden meestal al binnen een jaar verwerkt in een nieuwe druk.

Geen gebruik van voorbeelden

Na het lezen van de theorie moeten de leerlingen meteen de opgedane kennis toepassen in een opdracht. Ze maken als het ware steeds zelf de voorbeelden via opdrachten. Deze methode van werken voorkomt dat leerlingen klakkeloos voorbeelden gaan namaken en van buiten gaan leren. Bij het maken van de opdrachten moeten ze steeds terugkoppelen naar de theorie, wat ze constant aan het denken zet.

Concentrische opbouw

Er is bij enkele onderwerpen een concentrische opbouw met als gevolg dat onderwerpen meerdere keren behandeld worden, zij het dat de invalshoek steeds anders is.

Belangrijke begrippen zijn niet gemarkeerd

Een essentiële vaardigheid die een zelfstandig lerende leerling zich eigen moet maken is het onderscheiden van hoofd- en bijzaken. Om die reden zijn er in de tekst geen begrippen vet of cursief gedrukt of in de kantlijn gezet, de leerling moet zelf aan de slag met een markeerstift en bij de pdf’s in ‘Bedrijfseconomieplus Totaal’ met markeergereedschap. Deze werkwijze betaalt zich uit bij het maken van het CE, leerlingen kunnen dan goed omgaan met het halen van de essentie uit de vele informatiebronnen die op het CE gebruikt worden.

Om de leerling te helpen bij het aanleren van deze vaardigheid staan de belangrijkste begrippen steeds aan het eind van een hoofdstuk vermeld in de volgorde waarin ze voorkomen in de tekst (dus niet alfabetisch).

Leerdoelen en D-toetsen in lesbrief

Alle eindtermen zijn opnieuw geformuleerd in voor leerlingen begrijpelijke leerdoelstellingen. Deze vindt de leerling samen met een diagnostische toets steeds terug aan het einde van een hoofdstuk.

Cases

Veel hoofdstukken worden afgesloten met een of meer cases. Dit zijn vaak omvangrijke opdrachten waarbij leerlingen niet alleen hun kennis uit het desbetreffende hoofdstuk moeten toepassen maar ook kennis uit eerdere hoofdstukken en/of lesbrieven. Bij de ICT-cases moeten de leerlingen vaak gebruik maken van spreadsheets, de modellen kunnen de leerlingen downloaden van de website.

Geen huiswerk

De lessenplannen gaan ervan uit dat leerlingen alles in de les doen. Uiteraard moeten leerlingen wel buiten de les studeren voor proefwerken en examens. Of leerlingen huiswerk hebben, is sterk afhankelijk van de manier van lesgeven. Veel frontaal lesgeven, betekent vaak veel huiswerk.