Bel ons: 043-3210509|info@uitgeverijstoffels.nl

Kenmerken van de lesbrieven
Lesbrieven: studie- en werkboek tegelijk
Alle lesbrieven van de methode zijn losbladig en worden geleverd in een multo-ponsing (23-gaats) uitvoering. Theorie en opdrachten zijn op een dusdanige wijze verstrengeld dat het maken van de opdrachten in een apart schrift de methode geweld aan zou doen. In het lesmateriaal wordt veel gewerkt met voorgedrukte antwoordschema’s, bovendien is er in de kantlijn steeds ruimte gecreëerd voor het maken van opdrachten en aantekeningen.
Aparte CE- en SE-lesbrieven
Door te werken met aparte lesbrieven voor de CE- en de SE-stof is de methode flexibel inzetbaar. Hierdoor kunt u uw eigen volgorde van behandeling bepalen.

Boekenfonds overbodig
Lesbrieven kunt u niet opnemen in een boekenfonds en dat heeft als voordeel dat u niet drie of vier jaar vastzit aan de methode, u kunt de methode elk jaar vervangen. Bovendien loopt u niet jaren aan tegen kleine foutjes die in een bepaalde druk staan, de lesbrieven kunnen in principe elk jaar worden aangepast. Eventuele wijzigingen in het examenprogramma worden meestal al binnen een jaar verwerkt in een nieuwe druk.

Behandeling theorie in context
Er wordt steeds geprobeerd om de theorie in een context te plaatsen en niet versnipperd te behandelen waardoor leerlingen niet meer weten waarom ze iets leren. Zo gaat de lesbrief Stichting & Vereniging over een echte kanovereniging, De Eenmanszaak Deel 1 over een meubelzaak, enz. Er is dus niet gekozen voor een op de wetenschap gerichte indeling van de stof.

Geen gebruik van voorbeelden
Na het lezen van de theorie moeten de leerlingen meteen de opgedane kennis toepassen in een opdracht. Ze maken als het ware steeds zelf de voorbeelden via opdrachten. Deze methode van werken voorkomt dat leerlingen klakkeloos voorbeelden gaan namaken en van buiten gaan leren. Bij het maken van de opdrachten moeten ze steeds terugkoppelen naar de theorie, wat ze constant aan het denken zet.

Concentrische opbouw
Er is sprake van een concentrische opbouw met als gevolg dat onderwerpen meerdere keren behandeld worden, zij het dat de invalshoek steeds anders is.

Langzaam opvoeren moeilijkheidsgraad
De moeilijkheidsgraad van de stof wordt langzaam opgebouwd: van eenvoudig in de eerste lesbrief naar complex in de laatste lesbrieven. Voor een gemakkelijk begin is bewust gekozen om de leerling te laten wennen aan de werkmethode.

Belangrijke begrippen zijn niet gemarkeerd
Een essentiële vaardigheid die een zelfstandig lerende leerling zich eigen moet maken is het onderscheiden van hoofd- en bijzaken. Om die reden zijn er in de tekst geen begrippen vet of cursief gedrukt of in de kantlijn gezet, de leerling moet zelf aan de slag met een markeerstift. Om de leerling te helpen bij het aanleren van deze vaardigheid staan de belangrijkste begrippen steeds op het eind van een hoofdstuk vermeld in de volgorde waarin ze voorkomen in de tekst (dus niet alfabetisch).

Leerdoelen en D-toetsen in lesbrief
Alle eindtermen zijn opnieuw geformuleerd in voor leerlingen begrijpelijke leerdoelstellingen. Deze vindt de leerling samen met een diagnostische toets steeds terug aan het einde van een hoofdstuk.

Cases
Bijna elk hoofdstuk wordt afgesloten met een of meer cases. Dit is vaak een omvangrijke opdracht waarbij leerlingen niet alleen hun kennis uit het desbetreffende hoofdstuk moeten toepassen maar ook kennis uit eerdere hoofdstukken en/of lesbrieven. Bij de ICT-cases moeten de leerlingen vaak gebruik maken van spreadsheets, de modellen voor deze spreadsheets staan met ingang van volgend schooljaar op de website.

Het gebruik van probleemanalysediagrammen (PAD’s)
Met name in De Eenmanszaak Deel 2 en De Industrie wordt gebruik gemaakt van probleemanalysediagrammen om oorzakelijke verbanden tussen grootheden duidelijk te maken. De diagrammen zijn zo opgezet dat deze direct toepasbaar zijn bij het maken van spreadsheets.